De naam van God moet de Heer blijven

Feministische theologen vinden het onjuist dat in de Nieuwe Bijbelvertaling de naam van God met de Heer wordt vertaald. Gebeurt dat niet meer dan wordt gebroken met een voor christenen belangrijke traditie, vindt A.A. Spijkerboer.

Het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting werken samen aan de Nieuwe Bijbelvertaling en van deze vertaling zijn nu Ester, Prediker, Jona, Judit en Handelingen verschenen. Deze bijbelboeken blijken in goed Nederlands vertaald te zijn: ze hebben niet het quasi-plechtstatige dat de Nieuwe Vertaling van 1951 van het Nederlands Bijbelgenootschap nog wel had.

Maar nu zijn van feministische zijde toch protesten gekomen tegen de Nieuwe Bijbelvertaling. Het bezwaar is dat deze vertaling zich bij de traditie aansluit door de naam van God met Heer te vertalen: in de bijbel maakt God toch al een overwegend mannelijke indruk en je zou die indruk weg kunnen nemen door de naam van God in ieder geval vrouwvriendelijk te vertalen.

Nu werd JHVH, de naam van God, in het begin van de gebruikelijke jaartelling in Israel al bijna nooit meer uitgesproken. Wat las men dan wanneer men in de synagoge bijeen was en bij de lezing van de Schrift op de naam stuitte? Helemaal zeker is het antwoord op deze vraag niet, maar het is aannemelijk dat het toen al gebruikelijk was Adonai, het Hebreeuwse woord voor Heer, te lezen.

Wat de vier letters JHVH oorspronkelijk betekend hebben is niet meer te achterhalen. Maar er wordt in het bijbelboek Exodus wel een uitleg van gegeven wanneer Mozes geroepen wordt het volk Israel uit Egypte te leiden.

Die uitleg is in de Staten-Vertaling van 1639: ik zal zijn die ik zijn zal, en in de Nieuwe Vertaling van 1951: ik ben, die ik ben. Beide vertalingen zijn juist: het Hebreeuws maakt bij het werkwoord een onderscheid tussen een handeling die afgesloten is en een handeling die nog niet afgesloten is. Bij de uitleg van de naam van God staat de werkwoordsvorm die aangeeft dat de handeling nog niet afgesloten is, en dan mag je in het Nederlands de tegenwoordige of de toekomstige tijd gebruiken. Zeker is verder dat het werkwoord `zijn' hier niet betekent dat God er zomaar een beetje zit te wezen. Het werkwoord zijn heeft hier de kracht van present-zijn. De grote joodse geleerde Rashi (1040-1105) zegt in zijn commentaar dan ook: ,,Ik ben bij u in deze nood.''

De Leidse theologe dr. Kune Biezeveld heeft bij een in februari in Amsterdam gehouden debat voorgesteld de naam van God met `De Levende' te vertalen. Dat klinkt in ieder geval niet mannelijk, maar het is wel een willekeurige greep. Want wie de naam van God poogt te vertalen moet op zijn minst iets tot uitdrukking brengen van dat present-zijn voor zijn volk. Dat komt in Biezevelds voorstel niet tot uitdrukking. Daar komt nog een probleem bij: de uitleg van de naam van God in Exodus heeft ook iets geheimzinnigs: hoe God in de toekomst voor zijn volk present zal zijn moet je nog maar afwachten. Ook dat geheimzinnige zou je in de vertaling van de naam van God tot uitdrukking moeten brengen.

Voor christelijke lezers van de bijbel komt er nog iets anders bij. Toen de joodse gemeenschap in Alexandrië in de derde eeuw voor de gebruikelijke jaartelling niet genoeg Hebreeuws meer kende om de schriftlezing in de synagoge te kunnen volgen, werden de Wet en de Profeten in het Grieks vertaald en zo kwam de vertaling tot stand die de Septuaginta wordt genoemd. In de Septuaginta wordt de naam van God vertaald met `Kurios', het Griekse woord voor Heer. Deze Septuaginta was ook de bijbel van de oudste christelijke gemeenten, die vooral in het Grieks sprekende deel van het Romeinse Rijk zijn ontstaan. Zeker is wel dat ook de eerste christenen God met Heer aangesproken hebben.

Nu is er in de Brief van Paulus aan de Filippenzen een hymne te vinden die de christelijke gemeenten al in de eerste decennia van hun bestaan gezongen moeten hebben. In deze hymne wordt Jezus bezongen, die zijn aan-God-gelijk-zijn niet voor zichzelf heeft willen behouden maar door de diepste diepten van het menselijk bestaan is heengegaan. Daarom, zo gaat de hymne verder, is hem `de naam boven alle naam' gegeven en dat is de naam van God. De hymne mondt dan ook uit in de belijdenis: `Jezus Christus is Heer!'

Als je nu in het Oude Testament de naam van God niet meer met Heer vertaalt gaat het verband tussen dat testament en die oude christelijke hymne verloren. In de christelijke kerk (voorzover ze de kluts niet kwijt is) geldt Jezus nu eenmaal als de representant van de God van Israel. Van belang is verder dat de belijdenis `Jezus Christus is Heer' altijd in een politiek verband heeft gestaan. Aan het eind van de eerste eeuw liet keizer Domitianus zich graag `Heer en God' noemen en dat betekende onmiddellijk een conflict met de oudste christelijke gemeenten. Nog tijdens de Duitse bezetting kreeg een predikant, die door de SD verhoord werd, te horen dat niet Jezus Christus maar Adolf Hitler Heer was.

Wie de naam van God niet meer met Heer vertaalt breekt met een oude en voor christenen in ieder geval veel betekenende traditie. De feministische theologen zijn er nog niet in geslaagd aan te tonen dat met die traditie gebroken moet worden. Willen ze daar wel in slagen dan zullen ze op zijn minst moeten komen met korte en bondige vertaling van de naam, zoals die in Exodus aan Mozes wordt uitgelegd. Het is een ernstige kwestie – het gaat om de vraag wie God voor de mensen is.

Dr. A.A. Spijkerboer is emeritus predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk.