Zwanen! Terug, zwanen!

Het is voorjaar, en de wandelaars komen weer naar buiten. Maar de knobbelzwanen waren daar al langer en hebben een voorsprong. Ze nestelen al. Als alles nog rustig is, zoeken ze het veiligste plekje op in de polder.

Het aantal zwanen is toegenomen, maar dat van toegewijde wandelaars ook. Dat heeft geleid tot een nieuw folkloristisch verschijnsel: de wandelfile bij de zwanenblokkade.

Want waar lopen polderwandelaars? Niet door weilanden, maar op oude tiendwegen en kades die aan beide kanten door water zijn omgeven. En waar broeden polderzwanen het liefst? Op oude tiendwegen en kades. Een eiland, denken ze, een héél langgerekt eiland, maar toch een eiland, met links en rechts beschermend water dat roofdieren tegenhoudt. Daar komt dus het nest. Pas later merken ze dat hun plek is opgenomen in een wandelroute.

Er is hier dus een belangenconflict. Soms is dat heel zichtbaar. Dan zie je in de verte twee witte vlekjes, en een stilaan groeiend groepje mensen dat daar werkeloos naar staat te kijken.

Wandelaars willen graag wandelen. Maar niet omlopen. Of teruglopen. Ze willen altijd verder lopen. Dus krijgen ze het met de zwanen aan de stok. Soms letterlijk. Toegewijde wandelaars, of buitensporters zoals ze zichzelf graag noemen, zijn vaak verklaarde natuur- en dierenliefhebbers. Maar nu zie je ze takken zoeken om die zwanen bang te maken, zodat ze even het nest verlaten.

Het lastige is dat een broedse zwaan niet zo snel bang is. En één zwaan verjagen is een ding. Twee zwanen verjagen is, ja, twee dingen. Er blijft altijd een zwaan over die je in de rug zou kunnen aanvallen. Dat is geen prettig idee. Want haast iedereen is opgegroeid met het idee dat zwanen met hun vleugels je polsen kunnen breken.

Bij gebrek aan tot de verbeelding sprekende roofdieren, zoals beren en wolven, hebben we in Nederland een paar mythes verzonnen. Natuur moet nu eenmaal gevaarlijk zijn, daar hebben we behoefte aan. Zo ontstond de wilde zwijnenmoeder, die niets liever doet dan wandelaars op de slagtanden nemen. En de knobbelzwaan, die bottenbrekend tekeer gaat.

Een knobbelzwaan is groot, en weet zich listig nog groter te maken, maar is heel licht. Hij moet tenslotte kunnen vliegen. En hij slaat met veren en een zacht omhulde vleugelboeg. Je moet dus wel heel onhandig een stok vasthouden, wil een zwaan je pols kunnen breken.

Hoe vaak zou het gebeurd zijn? Die enkele zwaan die het ooit gelukt is, heeft veel eer gehad van zijn werk. Nog steeds vertelt iedereen het door.

Voor zwanen is dit heel prettig. Het ontzag waarmee ze benaderd worden bevalt ze zichtbaar. Voor sommige wandelaars is het misverstand ook heel prettig. Want hoe vaak komt het voor dat je de Nederlandse natuur moet overwinnen? Je hebt survival-kleding aan die op beide polen is uitgetest, de slijtageslag van een bergtocht aankan en zelfs is berekend op valpartijen en schuivers op een rotspartij. En je lóópt alleen maar. Manhaftige wandelaars bij de knobbelzwaanverstopping grijpen dus hun kans. Met geïmproviseerde strijdtactieken jagen ze de zwanen van hun nest. Waarna de rest van de wandelfile op een drafje langskomt, nog even een besmuikte blik werpend op de tijdelijk verlaten eieren. Daarna wordt weer een eerbiedige afstand in acht genomen.

Veel lijken de zwanen er niet van te snappen – belagers die hun nest veroveren, en er vervolgens niets mee doen. Maar zeker in drukke weekeinden went het snel. Haast routinematig komen ze na verjaging weer het water uit en lopen ze, plof-plof, met de grote, weinig majesteitelijk naar binnen gedraaide zwemvoeten naar het nest, zwaaien een paar maal opgelucht met de staart en nemen weer bezit van hun blokkade. Het mannetje maakt zich nog eens extra groot. Zij regeren weer over hun stukje polder. De troonsafstand was tijdelijk.

En soms is die troonsafstand niet eens nodig. Dat merk je wanneer wandelaars je tegemoet komen, en je al van verre toeroepen: `Zwanen. Er zitten verderop zwanen.'

Ze zijn terug komen lopen.

Het klinkt alsof Oezbekistaanse dorpsbewoners elkaar waarschuwend toeroepen dat de wolven vandaag extra groot zijn. Die status hebben twee vogels van samen nog geen vijfentwintig kilo toch maar mooi bereikt. Zo vallen er toch heel wat NS-dagtochten, Kade - en Tiendwegroutes half in het water, voor de zwaanvrezenden. Ruim een maand lang, dankzij een prettig misverstand.