`Ons kind moet trots kunnen zijn'

Het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK ronselt strijders onder de honderdduizenden Kosovaren die naar Macedonië en Albanië zijn verdreven. ,,Je moet gaan. Ons kind moet trots kunnen zijn op zijn vader.''

De opening van de tent wordt voorzichtig opzij geschoven. Twee mannen doen hun schoenen uit en gaan op de grijze dekens zitten. Handen worden geschud en het pakje Boss-sigaretten gaat van hand tot hand. ,,Je land is in oorlog. Je volk wordt vermoord, dan ga je toch niet naar Duitsland'', zegt de oudste van de twee mannen.

Halim Popaj en zijn familie schrikken. De 25-jarige Halim is afgelopen weekeinde met zijn vrouw, zijn vader en zijn moeder de grens bij Blace in Macedonië overgestoken om het oorlogsgeweld in Kosovo te ontvluchten. De vier bivakkeren in een tent op het vluchtelingenkamp Stenkovec op ongeveer tien kilometer afstand van de grens. In een hoek van de tent liggen twee kinderen te slapen; hun `eigen' tent was vol.

Eerder op de dag had Halim de twee mannen, Reshit en Amon, ontmoet toen hij in een rij stond om zich op te geven voor een vlucht naar Duitsland. Zijn drie jaar oudere broer is kelner in München en de familie wil in Duitsland het einde van de oorlog afwachten. Daarna zouden ze terug gaan. Halim: ,,Geen twijfel over mogelijk. Kosovo is mijn land.'' Het gesprek met de twee mannen, ronselaars van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK, duurde kort. Nadat Halim het nummer van zijn tent had gegeven, beloofden Reshit en Amon dat ze 's avonds langs zouden komen.

Halims tweelingbroer is nog steeds in Kosovo, hij meldde zich een half jaar geleden aan bij het UÇK. Zijn jongere zuster hebben ze achtergelaten in de Priština, haar schoonmoeder was te zwak om de hoofdstad van Kosovo te verlaten.

Bij het licht van kaarsen ontwikkelt zich in een tent die blauw staat van de rook een emotionele discussie. Halim twijfelt al een half jaar of hij het voorbeeld van zijn tweelingbroer moet volgen. Zijn ouders zeggen nee: ,,Één UÇK-zoon is genoeg.'' Zijn vrouw, Niki, zegt ja. Haar lievelingsoom Agon is twee maanden geleden op 44-jarige leeftijd door ,,zwarte Serviërs'' vermoord in Priština.

Niki: ,,Ach, oom Agon. Hij kocht mijn eerst flesje cola. Samen hebben we Abedin, mijn hondje, begraven. Hij troostte me wanneer ik verdriet had en pappa en mamma op het land werkten. Samen vouwden we vliegers.''

Halim: ,,Maar ...''

Niki: ,,Hij maakte altijd grapjes. Hij zei tegen me: ik ben te oud, maar Halim is een goede man voor je.''

Halim: ,,Maar ...''

Niki: ,,Misschien draag ik je kind, Halim. Ons kind moet trots kunnen zijn op zijn vader. Zijn vader moet toch ons land verdedigen en niet met de staart tussen zijn benen vertrekken naar een veilig oord.''

In de grijsgroene legertent lopen de ogen vol met tranen. ,,Je moet gaan'', zegt de vader van Halim. Zijn moeder snikt instemmend.

Het is tien uur 's avonds en de ronselaars van het UÇK trekken hun schoenen weer aan. ,,Het is en blijft jouw beslissing'', zegt ronselaar Amon tegen Halim als hij de tent weer dichtdoet.

Het Kosovo Bevrijdingsleger heeft een uitgekiende strategie om mensen te werven. Zo bleek gisteren, eerder op de dag, dat in het opvangkamp Raduša het UÇK een `onbekend' begrip is. Dit kamp ligt op ongeveer twintig kilometer ten noordwesten van de Macedonische hoofdstad Skopje hoog in de bergen. In dit kamp aan de oevers van de Vardar is het UÇK niet langs geweest. Met uitzicht op de besneeuwde topppen van de Šar Planina zijn in dit kamp met relatief kleine tenten complete en gezonde families ondergebracht uit Kosovo.

,,Ik mis mijn huis, maar ik heb mijn vrouw en kinderen'', zegt Sahit Zhuniqi, een 41-jarige gevluchte inwoner uit Janjevo in de buurt van Priština. ,,Als het niet regent is het hier prima uit te houden. Hoe lang gaat de oorlog eigenlijk nog duren? Dan kunnen we weer terug.''

In Stenkovec klinken andere geluiden. Veel mensen uit dit vluchtelingenkamp zijn op zoek naar ouders, broer, zusters en soms kinderen. Sommigen hoeven niet te zoeken omdat ze weten dat hun familie is vermoord. ,,Nooit, nooit, maar dan ook nooit ga ik weer terug'', verwoordt Fadil Berisha het gevoel van veel van zijn lotgenoten. ,,De motivatie om zich bij ons aan te sluiten is hier groter dan elders'', geeft UÇK-ronselaar Amon toe.

Het is half elf en Halim pakt zijn spullen. Zijn ouders verlaten de tent zodat hij een moment alleen is met zijn vrouw. Een kus, een omhelzing en Halim verdwijnt in de nacht. Met zijn tas loopt hij naar het noorden van het kamp; aan de rand van een bos wordt hij opgewacht. In het duister maakt hij kennis met Vehap en Abedin, 28 en 31 jaar oud. Samen met de UÇK'ers lopen de vijf mannen langs de afscheiding van het kamp naar de snelweg die Skopje met Priština verbindt. Ze stappen in een Ford Transit busje dat hen naar Tetovo brengt; een plaats op ongeveer vijftien kilometer afstand van de grens met Albanië.

De radio staat hard en de mannen kijken zwijgzaam uit het raam. Bij een tankstation even buiten Skopje worden een paar blikjes cola gekocht. Voorzichtig ontstaat een gesprek. In de auto wordt druk getelefoneerd en bij aankomst in Tetovo blijkt dat de UÇK-mannen hebben afgesproken bij het plaatselijke voetbalstadion. Een paar woorden worden gewisseld en de drie aspirant UÇK'er stappen over in een auto. Een hand wordt gedrukt, en de drie mannen verdwijnen met hun chauffeur in de nacht in zuidelijke richting, naar Gostivar.

,,Over een paar uur zijn ze in Albanië'', zegt UÇK-ronselaar Reshit. ,,Ze krijgen een guerrilla-opleiding en dan zijn ze klaar voor de strijd.'' Een ongelijke strijd. Immers het ontbreekt het UÇK niet aan militairen, maar aan wapens.

Reshit: ,,Ons leger groeit, het Servische leger deserteert. Wij hebben de steun van de NAVO, de Serviërs van niemand. Dan kunnen we toch niet verliezen?''