Onafhankelijkheid ECB is geen dogma

De recente renteverlaging gaat ten koste van de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank. Voor Nederland hoeft het handhaven van die onafhankelijkheid echter geen dogma te zijn, vindt Menno Tamminga.

Is het nu afgelopen met het miezemauzen tussen de Europese Centrale Bank (ECB) en Europese politici die aandringen op een renteverlaging om de Duitse economie uit het slop te halen? Vier weken na het verrassende vertrek van de Duitse minister van Financiën Oskar Lafontaine (SPD), propagandist van het biefstuk-socialisme, verlaagde de ECB twee weken geleden de rente met een half procent.

De ECB ziet het niet als een late bekering, maar als teken van de onafhankelijkheid van politieke inmenging van de nieuwe centrale bank. Zo wordt de onafhankelijkheid nog een dogma, zoals de gouden standaard in de jaren dertig.

Als de centrale bankiers alleen maar tot dat tijdstip gewacht hebben met hun renteverlaging om Lafontaine geen gelijk te hoeven geven, bewijzen zij hun eigen onafhankelijk en de Europese burgers een slechte dienst.

In de economische omstandigheden in Europa is de afgelopen maanden niet veel veranderd: aan de periferie (Nederland, Ierland) gaat het aardig, net als in Frankrijk, maar in Italië en met name Duitsland is het belabberd.

Of hadden de centrale banken de ernst van de economische malaise te laat onderkend en daarom niet tijdig gehandeld? Zij hadden Lafontaine met lof moeten overladen, de rente kunnen verlagen en vervolgens dagelijks in speeches kunnen hameren op de noodzaak van begrotingsreducties en het opheffen van belemmeringen op de arbeidsmarkt. Dat is niet zwichten voor dreigende politieke controle.

Natuurlijk, Lafontaine gelijk geven is even slikken voor bankiers. Hij had alle schijn tegen: hij is een socialist van de oude stempel voor wie renteverlaging altijd actueel is, ongeacht de economische situatie. Dat politici zich willen bemoeien met het rentebeleid is normaal, zei ECB-president Wim Duisenberg enkele maanden geleden in een reactie op Lafontaine's pleidooien. Maar het is abnormaal dat de centrale banken daarop ingaan. En de bank ging over tot de orde van de dag.

Wie dacht dat gekozen politici in Europa het primaat van het geldbeleid hebben, vergist zich. De monetaire meesters in Frankfurt denken daar, met het verdrag van Maastricht in de hand, anders over.

De onafhankelijkheid van centrale banken is echter niet absoluut, al doen monetaire kopstukken graag alsof dat wel zo is. En ook al nemen Nederlandse politici en beleidsmakers dit als vanzelfsprekende onaantastbaarheid over. Waar die onafhankelijkheid toe kan leiden, bleek afgelopen zomer toen de Nederlandsche Bank in een wonderlijke oprisping wat overtollige winst uit monetair beleid bestemde voor de aankoop van een schilderij.

Om uiteenlopende redenen kan het zinvol zijn om kenmerkende overheidstaken (krijgsmacht, politie, rechtspleging, monetair beleid) op een zekere afstand van regering en parlement te houden. De minister van Defensie zal er niet over piekeren zich te bemoeien met de acties van individuele bevelhebbers, maar het kabinet beslist wel over de vraag of grondtroepen ingezet moeten worden.

De Nederlandsche Bank was, na de nationalisatie in 1948, wel onafhankelijk, maar de minister van Financiën had een zogeheten aanwijzingsrecht: hij kon de directie van de centrale bank de kabinetswil opleggen. Daarvan heeft niemand ooit gebruik gemaakt, maar het maakt de verhoudingen wel duidelijk.

Politieke interventies zijn, in weerwil van de heersende percepties, geen exclusief Zuid-Europese habitus. De Duitse centrale bank, die altijd strenger overkwam dan zij feitelijk was, ging bij de Duitse hereniging akkoord met de politiek gewenste, maar onrealistische omwisselingskoers van één Ostmark voor één Deutschmark. Tegen de zin van De Nederlandsche Bank besloot het eerste kabinet Lubbers in 1983 de opwaardering van de gulden ten opzichte van de Duitse mark te beperken om een concurrentievoordeel ten opzichte van onze grootste handelspartner te krijgen.

Een vergelijkbare politieke inkadering mist de Europese Centrale Bank en dat zal haar parten blijven spelen, ook nu Lafontaine vertrokken is. Politici, ter linker- en ter rechterzijde, zullen willen weten hoever hun macht reikt. Voor de hand ligt dat zij uiteindelijk invloed willen hebben op het gebruik van de rente in hun financiële politiek. Geldpolitiek is ook politiek.

Welke rol moet Nederland in dat debat spelen? Na de lobby om Duisenberg aan het hoofd van de ECB te krijgen zal het kabinet zich welhaast verplicht voelen ook de onafhankelijkheid van de centrale bank te blijven steunen. Na Lafontaine's eerste maningen aan het adres van ECB klonk in politiek Den Haag al gejerimieer: wee degene die komt aan de onafhankelijkheid van een centrale bank, een hoeksteen van Nederlandse opvattingen.

Voor de komst van de euro en de ECB had de Nederlandsche Bank haar eigen vrijheidsgraden ten opzichtte van het rentebeleid van de Bundesbank, de dominante Europese centrale bank. Duisenberg heeft daar, als president van de Nederlandsche Bank, van tijd tot tijd gebruik van gemaakt door de rente in Nederland sneller te verlagen dan onze Oosterburen en daarmee het Nederlandse bedrijfsleven een concurrentievoordeel te geven.

Nu monetair beleid Europees beleid is geworden, en president Wellink van de Nederlandsche Bank een van de zeventien stoelen aan de ECB-tafel bezet, is de uitkomst van de monetaire onderhandelingen voor Nederland meer dan ooit een gegeven. Zeker als ook de politieke druk wordt opgevoerd. Druk die, zo mag je verwachten, juist van de economische zwaargewichten zal komen: Duitsland, Frankrijk, Italië, straks wellicht Engeland. Voor een kleiner land valt in deze olifantenstrijd niets te winnen.

Een onafhankelijke centrale bank is geen dogma. Nederland moet niet in de reflex uit de jaren dertig vervallen en zolang mogelijk vasthouden aan de gouden standaard. Nederland moet zijn vanzelfsprekende steun voor een onafhankelijke centrale bank in de onvermijdelijke politieke koehandel ruilen tegen veranderingen die direct in zijn eigen belang zijn: openbreken van markten in andere EC-landen en het slechten van (in)formele barrières tegen Nederlandse investeringen.

Sinds het begin van de jaren negentig is Nederland een renteniersnatie geworden: de rente en dividenden die `wij' als investeerders en beleggers ontvangen zijn groter dan wat wij aan buitenlandse financiers betalen. De inkomstenstroom helpt een handje om de vergrijzing van de bevolking te financieren. Nederland heeft bovendien een aanzienlijk aantal expansieve bedrijven, van ABNAmro en ING tot Koninklijke Olie en Heineken die tuk zijn op nieuwe kansen.

Financiële markten in Duitsland en Frankrijk zijn vrijwel verboden gebied voor buitenlandse firma's. De uitverkoop van kroonjuwelen uit de Nederlandse nutssector (kabelbedrijven, energie, vervoer) is acceptabel als andere Europese landen een vergelijkbare politiek van open grenzen hanteren. Dat doen zij niet. Een geëgaliseerd krachtenveld in het Europese bedrijfsleven is van groter belang dan het dogma van een een onafhankelijke centrale bank.

Menno Tamminga is redacteur van NRC Handelsblad.