Kosovaren politiek meer dan ooit verdeeld

De NAVO is unaniem waar het de luchtacties betreft. De Serviërs zijn unaniem in hun woede. Maar de Kosovaren zijn politiek meer dan ooit verdeeld.

Jarenlang was Ibrahim Rugova, de nu 54-jarige literatuurcriticus, de enige woordvoerder van de Kosovaren: een pacifist, de organisator van het vreedzame verzet tegen de Servische onderdrukking, president van de ondergrondse republiek die de Kosovaren in eigen land hadden opgebouwd. Hij leidde (en leidt) de LDK, de Democratische Liga van Kosovo, al die jaren de enige politieke partij van betekenis in Kosovo. De LDK domineerde het ondergrondse parlement en de ondergrondse regering van de `republiek'.

In 1997 begon Rugova's ster, en die van de LDK, te dalen onder invloed van radicalen in het Kosovo Bevrijdingsfront UÇK, die betoogden dat vreedzaam verzet de Kosovaren geen stap verder had gebracht en dat alleen gewapend verzet hun lot kon verbeteren. Het argument sloeg aan, al helemaal nadat begin vorig jaar de Serviërs een massaal en gewelddadig offensief ontketenden om het UÇK onschadelijk te maken. De gelederen van het Bevrijdingsleger zwollen aan en het UÇK-prestige steeg ten koste van dat van Rugova en zijn LDK, ook al stelde het UÇK militair niet veel voor.

In Rambouillet, in februari, konden de twee polen van het politieke spectrum in Kosovo het nog eens worden: ze vormden een gezamenlijke delegatie waarin naast LDK en UÇK ook ruimte was voor nieuwe politieke partijen die als alternatief voor de LDK waren gevormd. De leiding van de delegatie was evenwel al niet meer in handen van de LDK, maar van de 30-jarige UÇK-leider Hashim Thaçi, alias De Slang. Hij leidde ook de delegatie van de Kosovaren op de vervolgconferentie in Parijs.

Beide conferenties mislukten en sinds 24 maart regent het bommen op Joegoslavië. Hun eerste slachtoffer: de wankele samenwerking tussen de pacifisten en de radicalen onder de Kosovaren. Op 3 april vormde Hashim Thaçi in Tirana een regering in ballingschap van de Republiek Kosovo. Het is een coalitie van het UÇK en een van die nieuwe politieke partijen, de Verenigde Democratische Beweging (LBD) van de schrijver Rexhep Qosja. Beide organisaties hebben vijf ministers. Slechts één zetel, die van de vice-premier, is in de regering gereserveerd voor de LDK.

Maar de LDK deed en doet niet mee: Thaçi, aldus de LDK, was overhaast te werk gegaan, het land was in oorlog, de bevolking werd verdreven en er waren geen consultaties geweest, kortom: het ging er nu niet om verre regeringen te vormen, maar de bestaande instanties van de ondergrondse republiek te versterken, aldus de LDK.

De ondergrondse republiek heeft nu twee regeringen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Thaçi's regering is immers een alternatief voor en een rivaal van de bestaande, door de LDK gedomineerde regering, die vanuit zijn ballingsoord Bonn wordt geleid door LDK-kopstuk Bujar Bukoshi.

Sinds begin april is het oorlog tussen de LDK en het UÇK. De wederzijdse uitvallen zijn geleidelijk venijniger geworden. Een UÇK-woordvoerder maakte begin deze maand op de Albanese televisie – zonder namen te noemen – Bukoshi en andere LDK-leiders uit voor ,,schaamteloze carrièristen die de [in Rambouillet gemaakte] afspraak voor de vorming van een voorlopige regering hebben ondermijnd'' en die ,,een schandelijk spel spelen met het lot van Kosovo''. Ze zijn ,,demagogen die ons in de steek hebben gelaten''. Bukoshi werd verweten op de financiën van de ondergrondse republiek (opgehaald onder in het Westen werkende Kosovaren, die sinds jaar en dag drie procent van hun inkomen als belasting afdragen aan Bukoshi's regering) te blijven zitten.

Van het prestige van Rugova is weinig meer over. Het werd verder ondergraven door zijn op de Servische televisie breed uitgemete ontmoetingen met de Joegoslavische president Miloševic op 1 april en met de Servische president Milutinovic op 16 april. Als we de Servische media mogen geloven, drong Rugova bij die gelegenheden aan op de stopzetting van de NAVO-bombardementen.

Via de journaliste Renate Flottau van Der Spiegel, die een week in zijn huis verbleef, weet de buitenwereld dat Rugova, onder huisarrest in Priština terwijl de Serviërs zijn volk systematisch en massaal verdrijven, tot de gesprekken werd gedwongen en aldus werd misbruikt. Na dat met Miloševic was hij, aldus Flottau, `zichtbaar aangeslagen', `woedend' en `gedeprimeerd'. ,,Miloševic speelt kat en muis met me'', zo zei hij.

Rugova, gevangene van de Serviërs, mag nog respect genieten, maar de strijd om de ziel van de Kosovaren heeft hij verloren: zijn pacifisme heeft, in retrospect, de crisis in Kosovo slechts tien jaar lang ingevroren. Zijn radicale critici kunnen hem na de gesprekken met de Servische leiders ofwel als verrader, ofwel als slappeling voorstellen en in het minst ongunstige geval aanvoeren dat zijn leiding er simpelweg niet meer toe doet. Het UÇK heeft de toekomst. `De Slang' lijkt te hebben gewonnen.