Defensie kon mijnongeluk voorkomen

De nationale ombudsman M. Oosting noemt de gang van zaken rond twee ongevallen met AP-23 landmijnen, waarbij in 1983 en 1984 acht mensen om het leven kwamen, ,,onthutsend''.

Hij is van oordeel dat de ongelukken bij de landmacht in Oldebroek hadden kunnen worden voorkomen, als het ministerie van Defensie in 1970 maatregelen had genomen, toen bij een controle van de mijn een constructiefout werd ontdekt. De ombudsman schrijft dat in een vanmiddag verschenen rapport, dat hij heeft gemaakt op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Defensie. Maatschappelijk werker F. Spijkers van Defensie voert al jaren juridische strijd om de fouten van het ministerie aan het licht te brengen.

Oosting meldt dat na het ongeluk in 1983 ,,ten onrechte niet óók een technisch onderzoek is ingesteld. Daardoor zijn vóór het ongeval van 1984 de veiligheidsrisico's van de AP-23 mijn niet opnieuw boven water gekomen''. De ombudsman is van oordeel dat Defensie ,,op een aantal punten duidelijk tekort is geschoten'' bij het verstrekken van informatie aan de Tweede Kamer, de nabestaanden en de overlevenden. Hij voegt eraan toe dat ,,veel leed had kunnen worden voorkomen, indien Defensie van meet af aan volledige openheid had betracht''.

Oosting vindt dat Defensie zich opnieuw moet bezinnen op de vraag of de procedures en de cultuur van haar organisatie voldoende zijn afgestemd op calamiteiten. Het valt niet te begrijpen, stelt de ombudsman, ,,dat Defensie de AP-23 mijn eind 1991/begin 1992 nog heeft opgenomen op een lijst met voor verkoop beschikbaar defensiematerieel en via de Nederlandse ambassades heeft gepolst of er in het buitenland belangstelling voor was''. ,,Bovendien is het onjuist dat Defensie een inkoopbureau van de Amerikaanse marine, dat 1981 beschikte over een aantal AP-23 mijnen, pas in oktober 1998 heeft geïnformeerd over de technische staat van de mijn.''

De ombudsman verwijt Defensie dat ze tegenover de Tweede Kamer, de nabestaanden en de overlevenden steeds heeft volgehouden dat de verwisseling van een oefenmijn met een `scherpe' mijn de enige oorzaak was van het ongeluk in 1983, waarbij zeven doden vielen.

Oosting meent dat Defensie verder ,,ernstig in gebreke is gebleven'' bij het verstrekken van informatie aan de weduwe van militair R. Ovaa, die in 1984 om het leven kwam. ,,Zij kreeg direct na het ongeluk tegenstrijdige mededelingen over de vraag of haar man onvoorzichtig was geweest. Verder is zij langdurig gedwarsboomd in haar pogingen inzage te krijgen in alle stukken die op het ongeval betrekking hadden. Pas in 1989, na een verzoek op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), kreeg ze delen te zien van het rapport van de marechaussee uit 1985. Via het parket bij de rechtbank in Arnhem ontving ze in 1996 de ontbrekende delen.''

In 1997 zegde minister Voorhoeve (Defensie) de weduwe eerherstel van haar man toe. Ze kreeg een schadevergoeding van twee ton. Het stoort de vrouw dat Defensie niet ook Spijkers heeft gerehabiliteerd. Spijkers kreeg na de dood van Ovaa opdracht de weduwe te zeggen dat het ongeluk zijn eigen schuld was, maar kon dat niet met zijn geweten verenigen. Hij weigerde, kreeg grote problemen en zit al vele jaren ziek thuis.