De prins en de WOB

eeft een brief die prins Willem Alexander aan premier Kok schrijft een andere status dan een brief die premier Kok aan Willem Alexander schrijft? De Volkskrant meent van wel. Ze heeft met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) bij de bestuursrechter in Amsterdam aangevoerd dat een brief van de kroonprins over zijn IOC-lidmaatschap niet door het kroongeheim beschermd wordt en derhalve openbaar gemaakt mag worden. De minister-president had eerder het verzoek afgewezen omdat volgens hem de openbaarmaking van de brieven ,,de eenheid van de kroon'' in gevaar brengt. Kok volgt hiermee de formulering van de WOB, die onder meer een uitzonderingsgrond voor het verstrekken van informatie geeft ,,voor zover de eenheid van de kroon in gevaar zou kunnen komen''(art. 10, hoofdstuk V, wet van 31 oktober 1991, Sbl 703).

De schermutseling is ietwat mistig, doordat de Volkskrant niet weet of de brief die ze in handen wil krijgen geschreven is door de prins, dan wel door premier Kok. Ze weet dus niet waar ze naar vraagt, maar dat doet aan het belang van de zaak niet af. In een verwijderd verband is namelijk het Geheim van Noordeinde in het geding.

Hoewel de bestuursrechter in eerste instantie bepaald heeft dat Koks afwijzing van het Volkskrant-verzoek onvoldoende was gemotiveerd (wat nog geen toewijzing van dat verzoek inhoudt) geloof ik niet dat de Volkskrant erin zal slagen door de constitutionele cordons rondom de koninklijke onschendbaarheid heen te breken. Het ochtendblad vindt daarvoor noch de constitutionele praktijk noch de literatuur aan haar kant.

De vraag die de Volkskrant aan de bestuursrechter heeft voorgelegd is of de kroonprins deel uitmaakt van de kroon, het regeringsorgaan dat gevormd wordt door de koningin en de ministers gezamenlijk. De Volkskrant beantwoordt die vraag ontkennend, op grond van het impliciete argument dat Willem Alexander niet tot de regering behoort. Omdat de kroonprins geen deel uitmaakt van de kroon, kan ,,de eenheid van de kroon'' door de publicatie van de briefwisseling, aldus de Volkskrant, ook niet in gevaar worden gebracht. De rechter in tweede instantie (de Afdeling rechtspraak van de Raad van State) zal zich, denk ik, niet voor dat gat laten vangen. Constitutioneel is het niet beslissend dat de kroonprins geen plaats heeft in het regeringsorgaan dat ook wel kroon wordt genoemd. Aangezien hij echter een ondeelbaar verband met de koninklijke waardigheid vormt, staat hij zo dicht bij de kroon, dat hij geacht wordt daar deel van uit te maken.

De ministers van staat dr. W. Drees en prof.mr. P.J. Oud hebben in 1964 in een door de regering gevraagd advies over de werking van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de leden van het koninklijk huis onder meer het volgende uitgangspunt geformuleerd: ,,Hoe dichter bij de troon, hoe eerder het aanzien van het koningschap kan worden gediend of geschaad''. Van dat advies, dat sindsdien als grondslag van de discussie over dit onderwerp heeft gediend, is de variant afgeleid: ,,Hoe verder van de troon, hoe meer bewegingsvrijheid de leden van het koninklijk huis hebben''. Dat geldt ook voor de brieven die zij schrijven. Schrijft een lid van de koninklijke familie die geen officiële status heeft (bijvoorbeeld een niet-troongerechtigde neef van de koningin) als gewoon burger een brief aan de regering, dan is er geen enkel staatsrechtelijk belang dat zich tegen openbaarmaking daarvan zou verzetten.

Een briefwisseling tussen de kroonprins en de minister-president over het IOC valt uiteraard niet in die categorie. De minister-president heeft hier niet met de gewone burger Willem Alexander te doen, maar met de `vermoedelijke' troonopvolger (een grondwettelijke functie), wiens woorden en daden voor de regering niet vrijblijvend zijn, maar op elk moment de ministeriële verantwoordelijkheid kunnen activeren. Premier Kok heeft het niet met zoveel woorden gezegd (de minister-president is nooit lang van stof als het om staatsrechtelijke aangelegenheden van het koninklijk huis gaat), maar zijn beknopte argumentatie is duidelijk genoeg: ook de toekomstige koning moet onder de gebruikelijke geheimhouding met de regering kunnen corresponderen. Hij moet dat kunnen doen met inachtneming van dezelfde beginselen die voor het staatshoofd gelden. De kroonprins geniet dus de van de koninklijke onschendbaarheid afgeleide bescherming, ofwel een afgeleide onschendbaarheid. Dat is bij uitbreiding een toepassing van een kernbeginsel dat in het verkeer tussen staatshoofd en minister overigens onomstreden is. Even onomstreden trouwens als de geheimhouding die zich uitstrekt over de correspondentie tussen ministers onderling. Of dat nu handgeschreven amice-briefjes betreft of officiële brieven, ze worden niet openbaar gemaakt – tenzij ze uitlekken. Ook daarvoor bestaat een naam: het geheim van de ministerraad. In principieel opzicht is het Geheim van Noordeinde niet van een andere orde dan het Geheim van de Trêveszaal. Het is een constitutioneel beveiligingssysteem dat nog door Thorbecke is ontworpen.

Premier Kok heeft op de rechtszitting geen verklaring gegeven voor zijn stelling dat openbaarmaking van de briefwisseling over het IOC de eenheid van de kroon zou aantasten. Dat lijken grote woorden, maar het ligt voor de hand waarom Kok ze heeft gebruikt. Als hij de brieven zou moeten vrijgeven, zouden niet alleen zijn standpunt en het waarschijnlijk niet geheel gelijkluidende standpunt van Willem Alexander voorwerp van politieke discussie worden, maar ook dat van koningin Beatrix, die zich naar verluidt actief met de zaak heeft bemoeid. Als de Afdeling rechtspraak van de Raad van State de Volkskrant alsnog toestemming mocht geven de brieven van of aan de kroonprins te publiceren, is er geen enkele reden meer om het Geheim van Noordeinde nog langer in stand te houden.