Wederopbouw Balkan vereist radicale mentaliteitsomslag

Terwijl de oorlog in Kosovo doorgaat, stelt het Westen al plannen op voor de wederopbouw van het geschonden gebied. Jonathan Eyal meent dat een tweede Marshallplan geen kans van slagen heeft. Alleen volledige integratie van de Balkan in Europa kan voor blijvende vrede zorgen.

Niets wijst erop dat de oorlog in Kosovo op zijn eind loopt. Ongeacht welke strategie Miloševic volgt, zal de confrontatie zeker nog maanden duren. Maar terwijl de generaals de strijd voortzetten, werken diplomaten in alle Westerse hoofdsteden achter de schermen aan voorstellen die ná de oorlog stabiliteit op de Balkan moeten brengen. Op de EU-spoedtop, vorige week, werd gesproken over een plan van EU-voorzitter Duitsland voor een `stabiliteitspact' in de regio. De NAVO-top deze week zal zeker met soortgelijke gedachten over samenwerking komen. Behalve veel bommenwerpers hangen er in Europa dus diverse wederopbouw-constructies in de lucht, met veel fanfare aangekondigd en vervolgens ter zijde gelegd.

Spreken over wederopbouw van de Balkan is in dit stadium heel zinvol. Kosovo behoeft nog tientallen jaren militaire bescherming en economische steun. Intussen moet de bevolking van Joegoslavië ervan doordrongen worden dat ze, eenmaal verlost van haar verachtelijke leider, een betere toekomst tegemoet kan zien. De omringende landen die buiten de oorlog zijn gebleven, moet eveneens een hart onder de riem worden gestoken.

Het is beter nú al over dat soort regelingen te spreken, want zo voorkomt men het stuitende geruzie over de lastenverdeling tussen de EU en de VS waarmee de gedwongen vrede in Bosnië gepaard ging. Of zij willen of niet, zowel de EU als de NAVO hebben al verplichtingen aan de regio: Griekenland is van beide organisaties lid, de NAVO heeft er haar grootste militaire aanwezigheid, en Slovenië gaat over enkele maanden met de EU over het lidmaatschap onderhandelen. Als verdere betrokkenheid onvermijdelijk is – en dat is ze – dan kunnen we beter nu al de prioriteiten afspreken dan straks een ad hoc-beleid voeren. Op de actuele wederopbouwplannen is dus niets aan te merken. De EU en de NAVO dreigen echter grote moeilijkheden op hun weg te vinden, zowel in het conceptuele stadium als bij de praktische uitvoering. Er is namelijk niet alleen een mentaliteitswijziging op de Balkan voor nodig, maar tevens een psychische omslag in het Westen. Kortom, de huidige voorstellen zijn alleen uitvoerbaar als aan weerszijden van de oude ideologische scheidslijn in Europa een metamorfose plaatsvindt. EU-leiders spreken dezer dagen graag van een `tweede Marshallplan' voor de Balkan. Zulke uitspraken berusten op een misvatting. Het Marshallplan kwam nadat het doel van de oorlog was bereikt. In de huidige crisis is men het echter niet eens over wat het oorlogsdoel zou moeten zijn. De oorlog is begonnen om de etnische zuiveringen in Kosovo af te wenden. Daarna werd het doel het terugdraaien van de gevolgen van de etnische zuivering, die men niet had weten te voorkomen. Een maand geleden was het doel Miloševic te dwingen een vredesakkoord te tekenen; dit weekeinde heeft president Clinton gesteld dat het uiteindelijke doel de afzetting van Miloševic is. En niemand weet wat het lot van Kosovo zal zijn. De huidige wederopbouwplannen worden dus besproken in een strategisch luchtledig. Ze beogen niet het eindresultaat van een Balkanoorlog te consolideren, maar worden gepresenteerd als surrogaat voor het ontbreken van oorlogsdoelen. Het is moeilijk uit te maken wat men wil herbouwen zolang men niet weet wat er moet worden afgebroken. Het antwoord in het Europa van 1945 was duidelijk; thans, op de Balkan, is duidelijkheid nog steeds ver te zoeken.

Sinds 1995 zijn miljarden euro's in Bosnië gepompt, zonder veel effect: het land is nog steeds verscheurd. Montenegro, een onderdeel van het huidige Joegoslavië, wordt nu geregeerd door een pro-Westerse politicus, die een voorname rol speelde in de oorlog tegen de Bosnische moslims en zeer actief was in de smokkelactiviteiten ter ondermijning van de sancties tegen Joegoslavië. Franjo Tudjman, de door het Westen gekoesterde Kroatische leider, zwaait de scepter over een mengeling van nepotisme, vrees en corruptie. Nog afgezien van de ietwat potsierlijke vertoning van een Europese Commissie die Balkanregeerders aanbiedt hun te onderrichten in het bestrijden van verspilling en corruptie, valt aan één conclusie niet te ontkomen: dit streven gaat jaren in beslag nemen en zal dikwijls tegen de wil van de plaatselijke politiek in moeten worden doorgezet. En ten slotte is er de vraag naar de beschikbare middelen.

Het Marshallplan ging van start in een tijd van ideologische confrontatie tussen het Westen en de Sovjet-Unie. Discussie over lastenverdeling tussen VS en Europa was zinloos; de VS beloofden in feite koste wat het kost te voorkomen dat het communisme zich naar het Westen zou uitbreiden. Deze ideologische ijver ontbreekt duidelijk ten aanzien van de Balkan. Congresleden in Washington hebben de Europeanen vorige week zelfs laten weten dat ze niet van plan zijn gelden voor wederopbouw te voteren wanneer de oorlog om Kosovo voorbij is. Europa is rijk genoeg om die inspanning zelf te leveren; de vraag is of het de politieke moed bezit om de publieke opinie ervan te overtuigen dat subsidie voor, bijvoorbeeld, het Spaanse Andalusië moet worden omgeleid naar Roemenië.

Zowel de EU als de NAVO geeft te kennen dat terwijl enerzijds plannen voor de regio worden gesmeed, de Balkanstaten anderzijds moeten worden gestimuleerd tot onderlinge samenwerking. Onderlinge samenwerking is logisch en zal niet ten koste mogen gaan van verdere Europese integratie. Dat is tot op zekere hoogte juist. Er gebeurt al een heleboel, en veel van die activiteit kan het zonder regeringscoördinatie stellen. Griekse investeerders domineren de markten in Servië en Macedonië, en het geld dat Albanese arbeiders in Griekenland naar huis sturen, is zo ongeveer de enige bron van deviezen in Albanië zelf. Door hun afstemming op de plaatselijke markten en hun bereidheid grotere risico's te dragen, zullen dergelijke investeerders kansen in de regio beter kunnen benutten. Maar dit procédé kent ook ernstige beperkingen. Alle landen in de regio kampen namelijk met gelijksoortige problemen: een relatief grote agrarische sector, industriële overcapaciteit, een overschot op de arbeidsmarkt en een infrastructuur in verval. Niet alleen hebben ze elkaar weinig te bieden, maar ze wedijveren ook om dezelfde Westerse kapitaalbronnen. Ten tweede zal Griekenland binnen de regio altijd een uitzonderingspositie bekleden: als EU-lidstaat is het gebonden aan bepaalde tariefbeperkingen en handelspraktijken die niet voor de andere landen gelden. En bovendien, waar het Westen niet in staat is gebleken het Grieks-Turkse conflict op te lossen, mag dat van de Balkanstaten al evenmin worden verwacht. Tot slot wordt regionale samenwerking gehinderd door een obstakel van psychische aard: hoewel iedereen de Balkanlanden verzekert dat zij niets te vrezen hebben, zien de leiders regionale samenwerking instinctief als een tweede keus ná Europese integratie. Want ze vrezen dat hoe beter ze erin slagen regionaal samen te werken, des te minder ze zullen worden gezien als serieuze kandidaatleden van EU en NAVO.

En op dat punt moet het Westerse denken dan ook veranderen.

Meer dan een eeuw lang heeft men de Balkan ten dele beschouwd als een geografisch gebied, en ten dele als een ziekte die in quarantaine moet worden gehouden. De EU breidt zich uit, maar niet naar de Balkan. Tenzij het besef postvat dat Europa pas vrede zal kennen als het de Balkan volledig in zijn structuren integreert, zullen de meeste regionale wederopbouwplannen falen. Het ware Marshallplan moet zich daarom richten op het denken en voelen van de West-Europeanen. Lukt dat, dan zal de catastrofe van Kosovo de geschiedenis ingaan als de laatste Europese integratie-oorlog. En dat is, dunkt me, een doel dat waard is om zowel voor te vechten als te betalen.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.