Naar buiten!

Terwijl elders in Europa honderdduizenden mensen, verjaagd uit hun huizen, in regen en wind moeten bivakkeren zijn hier de eerste terrassen opengegaan. De temperatuur is om te klappertanden, maar de voorjaarszon schijnt en dus komen tafels en stoelen tevoorschijn, en gaan mensen buiten zitten. Ze `pakken een terrasje'.

Zij profiteren van de buitenlucht op een manier die evident geld kost: misschien verklaart dat het aureool van luxe, gecombineerd met `fris en gezond' dat rond het zitten op terrassen hangt. Net zoiets als wintersport, of zeezeilen. Maar ook het berijden van peperdure racefietsen (dat in ons dorp vaak wordt afgerond met een langdurige terras-sessie) valt in die categorie.

Als de mensen niet rijk waren konden ze niet zo gezond met hun pilsjes de straatdampen trotseren, of genieten van de versterkte popmuziek die hier en daar in de stad over terrassen wordt gegoten ter verhoging van de feestvreugde. Maar er is ook nog iets anders aan de hand. Buiten is in de mode, buiten is voor iedereen geworden.

Vroeger namen mensen die geld hadden, een huis buiten. Een uitzicht kopen, daar ging het eigenlijk om. Veel ruimte om een groot huis heen was prettig om te jagen, er een moestuin op na te houden en door de ramen van het salon naar het schilderachtige park te kunnen kijken. In de visie van deze mensen viel het gewone volk in twee groepen uiteen. Enerzijds had je de boeren die eveneens buiten woonden, zoals hun voorouders dat altijd hadden gedaan, en die brave, gezonde buitenlevens leidden; anderzijds het klootjesvolk dat om onbegrijpelijke redenen in de stad huisde, verstoken van zon en frisse lucht. De mens heeft een natuurlijke neiging om neer te kijken op wie hij slecht behandelt, en zo werd het wonen in bedompte bovenhuizen (net als het eten van kool en bonen) toegeschreven aan een misleide voorkeur van de lagere standen.

Een eeuw of iets langer geleden werd besloten dat daar verandering in moest komen. De bleekneuzen moesten naar buiten, of ze wilden of niet, want daar zouden zij sterker en beter van worden. De natuur was niet alleen mooi, zij was ook goed in morele zin. Er kwamen volkstuintjes en botaniseerclubs en stadsparken en een trein naar Zandvoort en zomerkampen voor de jeugd, en voor wat gelukkige enkelingen zelfs tuinsteden om in te wonen. Kinderen die niet buiten speelden, groeiden op voor galg en rad.

Maar zelfs toen na de Tweede Wereldoorlog op grote schaal buitenwijken werden gebouwd vol huizen-met-tuintjes, bleef `buiten' nog lang iets voor de zondag en bijzondere gelegenheden, zoals vakantie. De normale toestand voor de meeste mensen was binnen, waar het warm was en droog. Alleen kinderen, die nu eenmaal moesten ravotten, en jagers, botaniseerders en andere fanatiekelingen waren steeds maar buiten te vinden. En boeren en stratenmakers natuurlijk, die hadden geen keus.

Je krijgt het gevoel dat daar nu verandering in is gekomen. Of het ligt aan de omstandigheid dat Nederland overvol is, of aan het feit dat er iets is veranderd aan de grenzen tussen privé en openbaar, de Nederlanders hebben bezit genomen van datgene wat – onheilspellend genoeg – de openbare ruimte is gaan heten. Het hele land is een soort dorpsplein geworden, en het bestuur overlegt nog of ze grote delen zullen laten vollopen met ruige natuurgebieden en gezellig kreperende oerossen, of dat er nog wat akkers en weilanden mogen blijven. Over parken, vanouds de mensvriendelijkste vorm van buiten, wordt nauwelijks gesproken. Nee, parken zijn onnatuurlijk.

Maar tuinen zijn iets anders, tuinen zijn tweede woonkamers geworden vol pergola's en hardhouten bankjes. En op de terrassen, temidden van het stadsgewoel, wordt gedronken en gekeuveld, gegeten en geminnekoosd als nooit tevoren. Buiten zijn is het ideaal geworden, ook al zit je op straat. Oorlog of geen oorlog, weer of geen weer.