Interview met romanpersonage

Het merkwaardigste interview dat ik ooit heb gelezen staat in Tzum, een literair tijdschrift uit Leeuwarden, met op de cover een in plooirok gehulde anonieme vrouw en daarover heen de tekst `Lekker lentenummer'. Coen Peppelenbos – in de rubriek `Biootjes' omschreven als iemand die recensies schrijft, schoolboeken maakt en lesgeeft – opent Tzum met een interview met een romanpersonage. Dat wil zeggen: met de persoon waarvan Peppelenbos meent dat hij model heeft gestaan voor Jaap Geertsema, een onsympathieke figuur uit Robert Ankers Vrouwenzand. Jaap Geertsema zou in werkelijkheid Jan Geerlings zijn, iemand die eind jaren zestig samen met Anker Nederlands studeerde in Amsterdam en tegenwoordig directeur is van een school in Leek. Geerlings heeft een minder simplistische kijk op literatuur dan zijn ondervrager. `Ik ben het natuurlijk niet', zegt hij over het romanpersonage, `maar het lijkt er wel heel erg veel op.' Als Peppelenbos niettemin doorgaat Geelings op één lijn te stellen met Jaap Geertsema antwoordt hij: `Onze literaire opvattingen verschillen, maar ik wil dit spel best meespelen.'

Wat hier nu precies `speels' aan is, begrijp ik niet. Fictie zou je een spel met de werkelijkheid kunnen noemen, maar daarover gaat het gesprek niet. Aan de orde is slechts wie Geerlings is, maar dat is voor de literatuur niet van belang. Hoewel hij een paar rake uitspraken doet over Vrouwenzand als mislukte `remake' van A.F.Th. van der Heijdens `De tandeloze tijd' (`Bij Van der Heijden zie je het leven in de breedte en bij Anker is het leven platgewalst') verzandt zijn verhaal al snel in rancuneus gebabbel. Op de vraag wat Geerlings vindt van de positieve recensie die Tom van Deel in Trouw aan Vrouwenzand wijdde, antwoordt hij bijvoorbeeld dat Van Deel bij `de mandarijnenkliek' hoort. `Als Robert Anker een mooie recensie schrijft over een bundel van Van Deel, dan schrijft Van Deel een mooie recensie over dit boek. Daar is overigens niets op tegen hoor. Het is een zichzelf bedruipend circuit.'

Aardiger dan dit nauwelijks serieus te nemen gesprek is het `Schetsboek' van dichter Ruben Van Gogh, althans een stukje eruit en een gedicht. Hij begint met een in een mislukt archaïsche stijl geschreven verslag van een verhuizing van Groningen naar Utrecht, waarin kromme zinnen staan als: `De meer ik wandelde in Utrecht, de meer ik huizen tegenkwam waarin ik wel wilde wonen.' Stilistisch en inhoudelijk meer geslaagd is een column-achtige boutade tegen mensen die krampachtig proberen jong te blijven. Van Gogh is net 32 geworden en vindt dat hij langzamerhand maar eens afscheid moet nemen van dat eeuwige jong-zijn.

Van Goghs pleidooi om op te houden met het forever young-gedoe, vindt bij de redactie van Tzum trouwens geen gehoor. In hetzelfde nummer wordt de schrijver Arthur Japin (in gesprek met – alweer – Coen Peppelenbos) geïntroduceerd als winnaar van een prijs ter aanmoediging van `jonge auteurs'. Zou het de interviewer niet bekend zijn dat Japin is geboren in 1956 en dat hij het boek De zwarte met het witte hart, waarvoor hij die prijs kreeg, publiceerde toen hij al 41 was? In elk geval is het informatie die de lezer onthouden wordt. Daar staat tegenover dat Japin wel iets te vertellen heeft over de relatie werkelijkheid-fictie, die in zijn werk en ook ook in zijn nieuwste boek, De vierde wand, een terugkerend thema is.

Ik hou er wel van als er in het oeuvre van een schrijver meer of minder expliciet gemaakte thema's zijn aan te wijzen en hetzelfde geldt voor literaire tijdschriften. Helaas is in Tzum van een thematiek, een achterliggende vraagstelling, opvatting of literaire voorkeur geen sprake. Het blad is een willekeurig allegaartje, waarin een paar mooie gedichten van Maria van Daalen opvallen, die echter niet bij machte zijn de kwaliteit van het geheel naar een aanvaardbaar niveau te tillen.

Tzum, Literair Tijdschrift, vier keer per jaar. Tweede jaargang nummer 5. Uitg. FRYSK en FRIJ, Leeuwarden. Prijs ƒ12,50.