Industriepaus

In het aantrekken van Amerikaanse bedrijven die een Europese vestiging wilden, was de vrijdag op 82-jarige leeftijd overleden Joseph A.M. Molkenboer al een kei toen hij in de jaren '70 zelf een industriepolitiek voor Nederland ging voeren. ,,Daar is geen boekje voor'', was zijn gevleugelde uitdrukking.

Molkenboer had al sinds 1946 ambtelijke ervaring opgedaan bij het ministerie van Economische Zaken toen hij in 1973 door minister Lubbers werd benoemd tot directeur-generaal voor Industrie en handel. De periode van wederopbouw en herindustrialisatie was succesvol afgerond. Buitenlandse orders en nieuwe vestigingen moesten zorgen voor consolidatie en versteviging van de export als grootste steunpilaar van de Nederlandse economie.

Daarin paste steunverlening aan bedrijven in tijdelijke moeilijkheden. Dat begon al met de mijnsluitingen in Limburg waar Molkenboer nauw bij betrokken was geweest, onder minister Den Uyl. Om dat proces geleidelijk te laten verlopen en nieuwe, vervangende werkgelegenheid op te bouwen werd tijdelijk subsidie verleend op onrendabele mijnbouwactiviteiten. In overleg met de overheid werden de winsten in nieuwe Limburgse activiteiten gestopt. Zo werd bijvoorbeeld DSM op een slimme manier aan een opstapje geholpen om een heel andere, nieuwe onderneming te worden. Tegelijkertijd kregen traditionele industriesectoren als textiel, machinebouw en ketels die toen al bedreigd werden door landen met lage lonen, een steun in de rug.

Een van de paradepaarden van Molkenboer werd het scheepsbouw- en industrieconcern Rijn-Schelde-Verolme (RSV), een conglomeraat waarin de overheid veel mogelijkheden zag toen de individuele bedrijven in grote problemen kwamen. De bedreiging kwam uit Azië, waar de scheepsbouw door grootschaligheid en lagere loonkosten een snelle opmars maakte.

Vrije tijd bestond voor Molkenboer nauwelijks, hij werkte zo'n 80 uur per week in zijn netwerk en kreeg aanvragen om steun van tientallen ondernemers te verwerken. Een hard onderhandelaar werd hij genoemd, en `de industriepaus', die dreef op een grote persoonlijke ervaring met ondernemingen. ,,Klanten'' noemde hij de steunaanvragers die zich zelfs op zondag bij hem thuis telefonisch wisten te vinden. Ze kregen een formulier toegezonden en moesten binnen een week al hun cijfers bij Molkenboers Bureau Bijzondere Bedrijfsproblemen indienen. Die nam hij persoonlijk met de ondernemers met een stevige borrel door. Maar directieleden kregen moeilijk hoogte van hem. `Mompelboer' werd zijn tweede bijnaam, door de vele binnensmondse zinnen die hij door zijn gesprekspartners liet afmaken om een scherper beeld van de situatie te krijgen.

Met RSV, een bedrijf dat steeds weer aan kredieten en steun geholpen moest worden, liep het steunbeleid uiteindelijk falikant mis. Miljarden waren erin gepompt, een onverantwoorde bescherming waarvoor niet alleen Molkenboer maar ook een hele rij ministers zich in de parlementaire enquête in 1984 moesten verantwoorden.

Het RSV-debacle markeerde het einde van het industriële steunbeleid aan de particuliere sector, waarmee ook minister Van Aardenne in probleem kwam. Ook diens partij, VVD, vond dat het afgelopen moest zijn met de nauwe banden tussen overheid en bedrijven.