God op schaatsen

Hij had zo graag willen schitteren op zijn eerste Olympische Spelen. Al 37 jaar, alles gewonnen, alles bereikt, geëerd als beste Amerikaanse sportman van deze eeuw en dan op zijn oude dag eindelijk in Nagano met Canada de gouden medaille winnen. Niets was mooier geweest voor Wayne Gretzky, beter bekend als de `great one'. Maar hij slaagde niet. Lijdzaam moest hij toekijken, als een verdrietig kind voor de ramen van een gesloten speelgoedwinkel. Met jaloerse blikken volgde hij hoe de Tsjechen met de olympische eer gingen strijken.

Gretzky! Wie hem op de Noord-Amerikaanse ijsvloeren in goede doen heeft gezien, weet dat er maar één ijshockeyspeler is geweest die kon ontroeren. Zwevend over het ijs, als een schaatser op dancing shoes, tegenstanders omzeilend in een vloek en een zucht, passend en scorend als een door God bestuurde computer. Hij had de geritualiseerde grofheid van het ijshockeyspel niet nodig, hij wenste niet op de vuist te gaan als een gedemoraliseerde straatjongen, hij wilde spelen, spelen met een stick en een puck, totdat zijn moeder hem net als vroeger als kind op het ijs rond de boerderij naar binnen riep omdat het donker werd en hij naar bed moest.

Gretzky was bescheiden, zelfs verlegen. Wanneer hij had gewonnen en weer veel had gescoord, durfde hij bijna niet te juichen. Liever had hij zich verontschuldigd bij de tegenstander. Hij zal vast wel als een echte ijshockeyer zijn handschoenen eens hebben uitgetrokken om zich met blote vuisten te verweren tegen bloeddorstige types, maar gif als een elixer vol sappen van woede en frustratie heeft in zijn lijf geen kans gekregen. Kortzichtige trekken die sportmensen van nu kenmerken, waren hem vreemd. Gretzky was een man die als een der laatsten het sacrale van de sport uitdroeg.

Sportmensen van nu worden al bewierookt zodra ze één doelpunt maken, één keer aan de Olympische Spelen meedoen en één keer een wereldrecord breken. Wie goed heeft gepresteerd wordt al beloond met vraaggesprekken in sportjournaals en tv-shows en met foto's in kranten alsof zij heilig zijn. Schreeuwend als magere varkens roepen radio- en tv-verslaggevers dat zij getuigen zijn van een wereldwonder. Waarom vergelijken ze deze aardse wezens niet voortdurend met hemelse sterren? Mensen als Gretzky, Ali, Jordan, Merckx, Hinault, Maradona, Pelé, Cruijff en nog enkelen die op hun eigen wijze wedstrijden naar hun hand zetten.

Gretzky heeft alle records gebroken die in de ijshockeysport te breken zijn. De laatste mijlpaal die hij bereikte, was het record van Gordie Howe, die hij onlangs als topscorer aller tijden verdrong. Uitgerekend Howe, eens de man met nummer negen op zijn shirt. Omdat iedere Canadese schooljongen negen wilde dragen droeg Gretzky nummer 99. Een mooier nummer is er nooit geweest.

Twintig jaar speelde Gretzky top-ijshockey, voor de Edmonton Oilers, de St. Louis Blues, de Los Angeles Kings en tenslotte de New York Rangers. Talrijke verhalen zijn over hem geschreven, boeken en gedichten, zelfs een autobiografie in brailleschrift.

Nu is hij gestopt (of: dreigt hij te stoppen) en rest slechts het geweld van de ijshockeyspelers die zich ten doel hebben gesteld zo snel mogelijk beroemd en rijk te worden. Net zo beroemd en rijk als Gretzky. Zij verdienen het niet. Alleen Gretzky verdient het. Want hij is voor altijd de enige great one.