Geen groter geluk dan kindergeluk

Is er ooit iemand geweest die een echt gelukkige jeugd heeft kunnen beschrijven? Momenten van groot geluk kom je zeker vaak tegen. Maar overwegend goede ervaringen leveren meestal een saai verhaal op. Waren er geluksvogels die én een heerlijke kindertijd hadden én zo evenwichtig volwassen werden dat ze er zonder rancune op konden terugkijken? Jan Fabricius (1871-1964) lijkt zo'n gelukkig mens te zijn geweest. Zijn leuze was dan ook: `Geen groter geluk dan de herinnering aan geluk!'

Met grote erkentelijkheid wordt een allerliefste moeder herdacht. ,,Op een avond, terwijl ik nog maar 'n kleine jongen was, vond ze mij schreiend in bed. Luid klonk mijn snikken niet, maar zij had het gehoord! In het donker kwam zij zachtjes naar mijn bedstee, nam mijn hand in de hare en zei: `Vertel 't mij moar, mien jong. Wàt of 't ook is, Moe zal 't wel begriepn'.''

Maar het verhaal van Fabricius is vooral een monument voor zijn vader. ,,Ik kan niet genoeg betogen, welk een weldadige invloed mijn vader op mij als jongen heeft uitgeoefend. Natuurlijk, mijn moeder niet minder. Maar dan in andere opzichten. Mijn moeder was, precies als de moeder van elke àndere jongen over de heele wereld, de beste moeder van de wereld. Maar vaders zijn niet, zooals moeders, ondoorgrondelijk. Vaders kan men beter definiëren. De mijne was de meest betrouwbare, de hartelijkste en de verstandigste onderwijzer, die ik ooit gehad heb.''

Het waren zijn onsentimentele toewijding en vasthoudendheid die indruk maakten. ,,Mijn vader was geen vechtersnatuur. (...) Toch slaagde hij er in om van dat steegje uit en via de drukkerij van den heer Claas van Gorcum aan den Brink, eerst als loopjongen, toen als letterzetter, zich op te werken tot meesterknecht en corrector aan de Provinciale Drentsche en Asser Courant.''

Deze vader nam zijn zoon mee naar buiten op vroege zomerochtenden. ,,Als we op onze Zondagmorgens samen door bosch en veld rondom Assen trokken, sprong hij over dezelfde sloten als ik, en wanneer een van ons beiden daarbij een nat pak opliep, was hij het steeds, die er de grootste pret bij had.'' Als ze op pad waren, ,,kon hij soms opeens blijven staan en mij wijzen op de heerlijkheid van een opkomende zon over de open velden. `Blief ies eemn staon, Jan, en kiek ies nao 't Oosten. Is dat gezicht gien zak vol rieksdaolders weerd?' (...) Altijd beëindigden we onze tochten met een arm vol veldbloemen te plukken – veur Moe.''

Niet dat het verdriet dit gezin bespaard bleef. ,,Toen ik nog in de rokken liep, stierf mijn broertje Hendrik, die 'n week of wat te voren geboren was. Toen onze buurman Ter Wolde met het kleine kistje op zijn schouder onze deur uitstapte, gevolgd door mijn vader en nog enkele anderen, geurde ik tegenover mijn kameraden: Da's mien bruurtie en hij is dood!''

Ook geldzorgen waren er voldoende. In haar ambitie om vijf kinderen `schier' te houden stegen die de moeder zo nu en dan boven het hoofd en ,,heb ik haar dikwijls hooren zeggen, terwijl ze de een dubbeltje (of een cent) om-en-om-en-om keerde: As 'k maor 'n klein beetje méér had!'' Eén keer was het grote schrik, ,,toen ik plotseling Moe in een schaterlach hoorde uitbarsten. Het was een lach zooals ik mij voorstel, dat alleen een krankzinnige kan lachen; een lach als een lange rij gillen. Ik zag, hoe ze bij mijn verbaasden blik haar handen tot vuisten balde en naar mij ophief en ... Neen, ze sloeg mij niet. Ze liet zich op een stoel vallen, legde haar hoofd op de tafel en begon te schreien. Begrijpen kon ik het niet. Nu wel.''

Deze ervaringen lieten geen angst en onzekerheid na, maar stonden naast geluksmomenten die een sterkere indruk nalieten. Hoewel de kleine Jan het nauwelijks had durven hopen kreeg hij met Sinterklaas een nieuwe met blikken dekseltjes toegeruste hoepel van wel 30 cent, die hij smachtend in de winkel had zien liggen. ,,Daar lag – geloof het of niet – de hoepel. De hoepel! Mijn hoepel!! En 't was nog maar nauwelijks licht buiten, of de `zilveren' bellen van mijn veelkleurige hoepel klonken triumfantelijk door de stilte van 't Holtesch (...) Het was toen, in die vroege morgen van de zesde December 1878, dat ik het hoogtepunt van mijn aardse zaligheid bereikte – nooit meer te evenaren aan deze zijde van de ons allen wachtende Poort, die ons scheidt van het Groot Onbekende.''

Het moet ook het sterke voorbeeld van de vader zijn geweest die Fabricius uitrustte met een gevoel van eigenwaarde dat hem hielp definitief te ontsnappen aan de nederige sociale positie die zijn familie innam. Hij stond een keer toe te kijken hoe deftige meisjes `an 't neuties-schieten' waren. ,,Nu gebeurde het, dat een van de noten in een modderig plasje water terecht kwam en daarom van geen nut meer was. (...) `Hier', zei het meisje, `voor jou.' De verleiding was sterk. Een volkomen gave, dikke walnoot, zóó maar voor 't nemen! Maar vlak daarop kwam het pijnlijk besef, dat de noot mij werd aangeboden, omdat ze vuil was. En dus (...) schudde ik ontkennend het hoofd en vouwde mijn handen achter mijn rug – een opzettelijk uitgevoerd gebaar, dat geen twijfel overliet aan de standvastigheid van mijn weigering.'

Na een niet bijster succesvolle leertijd bij het bedrijf waar zijn vader levenslang gewerkt had, waagde Jan Fabricius het bij een krant op Java te solliciteren waar hij spoedig van de zetterij naar de redactie overging. Als toneelschrijver had hij later het meeste succes in zijn lange en oprecht gelukkig te noemen leven.

Bijzonder is daarbij dat Jan Fabricius zelf ook een goede vader is geworden, want ook de jeugdherinneringen van zijn zoon Johan (auteur van `De Scheepsjongens van Bontekoe') zijn opmerkelijk zonnig.

Jan Fabricius, Jeugdherinneringen van een Asser jongen. (Assen, Van Gorcum 1946)