De verlosser

Met de woorden `Hoe slechter het heden, hoe mooier het verleden' zou Johan Cruijff namens Ajax de spijker weer precies op z'n kop slaan. De man die alle voetbalmysteries weet te ontsluieren, heeft aan een enkel woord genoeg om hen die willen horen een stuk wijzer te maken.

Ook de journalisten liggen aan z'n voeten. Die van de televisie luisteren gewoonlijk ademloos naar zijn kletspraatje over een wedstrijd en die van de kranten verafgoden hem. Sinds hij (in 1996) als trainer van Barcelona is gestopt, kan hij de verslaggevers alles op hun mouw spelden. De `onvergetelijke happening' in de Amsterdamse Arena waar een aantal oude knarren van Ajax ten behoeve van een of ander Cruijff-fonds een benefietwedstrijd speelde, leidde dan ook tot euforische bespiegelingen over de `verlosser' van weleer en het voetbalgenot dat men aan hem te danken heeft.

Zou het niet een onsje minder kunnen, denk je dan. Maar het is zelfs nooit genoeg. De columnist Harry van Wijnen schreef vorige week dinsdag in NRC Handelsblad een loflied over de maestro waarin de meest verbazingwekkende strofen voorkwamen. Zoals: ,,De historische bijdrage die Cruijff als oefenmeester aan de tactische innovatie van het voetbal heeft geleverd is groter dan die van al zijn gerenommeerde collega's bij elkaar.'' Daar kunnen Happel, Michels, Beckenbauer, Herrera, Menotti en anderen het mee doen.

Het blijft niet bij deze vergelijking. Van Wijnen noemt Cruijff de meest gezaghebbende voetbalcommentator ter wereld (ja, ja) ,,wiens vertogen niet alleen lucide en onderhoudend zijn, maar ook nieuwe wetenschappelijke wegen hebben geopend''. Eenmaal op toeren gekomen draaft de auteur onbekommerd door met de volgende zinsneden: ,,Hij is een ziener die altijd over de beperkingen van het kleine menselijk geknoei heenkijkt naar hogere perspectieven en idealen. Hij is nooit bezig met het hier en nu, maar altijd met het betere dat nog komen moet. Vrij van belangen draagt hij zijn professionele kennis uit...''

Over de keren dat Cruijff het Nederlands elftal in de steek liet wanneer het hem zo uitkwam of zijn privé-belangen voorrang kregen, kan een oud-bondscoach als George Kessler een aardig boekje open doen. Diens collega's Happel en Zwartkruis klopten tevergeefs bij Cruijff aan voor het WK van 1978 in Argentinië en de KNVB vond hem evenmin bereid in 1994 als coach van het Nederlands elftal in Amerika op te treden. De man van de ,,hogere perspectieven en idealen'' probeerde gewoontegetrouw zoveel mogelijk rendement uit het pokerspelletje te halen. Om hem ,,vrij van belangen'' te noemen is (sorry Van Wijnen) absoluut een gotspe.

De zaligverklaring van J.C. moet natuurlijk gezien worden in het licht van het allerbelabberdste voetbal dat de Nederlandse topclubs zo vlak voor de eeuwwisseling consequent op de grasmat leggen. De nostalgie neemt daardoor bijkans hysterische vormen aan. Zeker in de Amsterdamse Arena, waar Ajax onder leiding van Jan Wouters slechts wanhoop uitstraalt.

Even brak er vorige week een straaltje zon door. In het nationale bekertoernooi bereikte Ajax zowaar de finale door Feyenoord met 2-1 te verslaan. Volgens De Telegraaf vloog Ajax plotseling uit een diep dal naar de top omdat het eindelijk messcherp had gevoetbald. De Volkskrant hield het wijselijk op een onbeduidende triomf, behaald in een fletse klassieker.

De kwaliteiten van Feyenoord en PSV laten ook zoveel te wensen over dat wij ons moeiteloos aansluiten bij hetgeen Cruijff (hij weer) daarover onlangs heeft gezegd. Namelijk dit: ,,Het is vijf voor twaalf voor het Nederlandse voetbal.''