Bitter welkom bij de grenspost

Bij duizenden stromen vluchtelingen uit Kosovo Macedonië binnen. Ze gaan naar kampen die door de NAVO – tot haar ongenoegen – worden overgedragen aan de hulporganisatie UNHCR en de Macedonische politie.

Macedonische politieagenten duwen een oude vrouw bij de grensovergang Blace hardhandig als laatste de bus in. Drie uur stond ze, met nog vijfhonderd vluchtelingen, in de druilerige regen bij de grensovergang tussen Kosovo en Macedonië. Wachten op twee stempels en een handtekening van de douane.

Dertig bouwvakkers volgen het wachten op een afstand van zo'n tweehonderd meter. Direct bij de grens bouwen ze een kamp voor de vluchtelingen. ,,We moeten opschieten, anders is er geen vluchteling meer over en heeft Miloševic ze allemaal de grens overgejaagd'', zegt een oude man met een rode zakdoek om zijn nek. Een voorzichtig gelach volgt. De Macedonische mannen plukken uit een homp brood en stoppen af en toe ook een stuk kaas of lamsgehakt in hun mond. ,,We moeten ze niet binnenlaten'', zegt een bouwvakker in een blauwe overall en een pikhouweel. ,,Morgen graven die verdomde Albanezen óns graf.''

Ze werken al een paar dagen aan het door Turkije gefinancierde kamp. In het riviertje de Lepenec dat aan het kamp grenst, zagen een aantal bouwvakkers vier lijken drijven. De keel van de mannen was doorgesneden. De Macedonische grenswacht bevestigt het bericht. ,,De identiteit van de mannen zal altijd onbekend blijven want ze hadden geen papieren bij zich.''

Het innemen van het paspoort; het is vaak de laatste actie van de Serviërs voordat ze hun Albanese landgenoten het land uitjagen. Wanneer aan het begin van de middag de vijfhonderd mensen per bus worden vervoerd naar Stenkovec I en Stenkovec II, opvangkampen op ongeveer tien kilometer afstand van de grens, heeft geen van de vluchtelingen nog een paspoort.

Zaterdagochtend arriveerden 2.500 mensen bij de grens, eenvijfde mocht de laatste kilometer afleggen omdat ze nog een paspoort hadden, dat ze uiteindelijk bij de grenspost toch nog moesten inleveren. De rest moest terug van de Servische politie. ,,Jullie zijn goed voor de NAVO-bommen'', beet een Serviër hen toe. Een broer en een zus werden zo gescheiden van hun ouders; de kinderen, achttien en twintig, hadden nog een paspoort; de ouders niet meer.

Als de bussen in het kamp zijn gearriveerd verdringen kampbewoners zich aan de ramen, gretige ogen op jacht naar familie en kennissen. Een jongen loopt met een slof sigaretten langs de bussen. Een man kijkt beteuterd wanneer hij eerst een pakje krijgt en het later weer moet inleveren omdat hij geen geld heeft. Hij dacht dat ze gratis waren.

Een struise vrouw pakt de slof en geeft de verkoper een draai om zijn oren. ,,Idioot, verdien je geld door je reet aan de Serviërs te verkopen'', bijt ze de jongen toe. Die druipt af; de sigaretten worden in de bus uitgedeeld.

Franse en Britse militairen hebben de twee kampen gisteren overgedragen aan de VN-hulporganisatie UNHCR. Terwijl de Kosovaren worden geregistreerd, probeert een Franse UNHCR-medewerkster op hoge hakken en gekleed in een Christian Dior mantelpakje de modder te ontwijken. Ze wordt rondgeleid door de Franse commandant die verantwoordelijk was voor de opbouw. Het lijkt alsof hij de meest modderige plaatsen opzoekt. Eigenlijk wil hij zijn kamp niet kwijt en hij vindt het een slecht idee dat de `zachte sector' de leiding overneemt. ,,Het is een politieke beslissing dat wij het kamp moeten overdragen'', zegt de Franse militair Pascal Say, die zijn commandant vol bewondering volgt. ,,Wij willen blijven. Wij willen deze mensen helpen, er is nog zo ontzettend veel te doen.''

Zo komt de beveiliging van het kamp in handen van de Macedonische politie en dat baart de Fransen zorgen. Bij Tetovo hebben de Macedoniërs al een vluchtelingenkamp overgenomen. ,,Gisteren hoorde ik een gerucht dat twee Macedonische politiemannen zich in het kamp hebben vergrepen aan Albanese vrouwen'', verzucht Say.

Het kamp dat hij heeft gebouwd, Stenkovec II, is verspreid over een aantal heuvels. Het biedt plaats aan maximaal 15.000 vluchtelingen en vanaf de heuveltoppen is Skopje te zien. In het dal ligt het grotere Stenkovec I (maximaal 27.000) gebouwd door de Britten.

Terwijl de kinderen spelen, is in de tenten een eensluidend verhaal te horen over de manier waarop de Kosovaren zijn verdreven. Een agressieve Servische aankondiging; maximaal een uur om een tas te pakken; intimidaties en geweld; en vervolgens worden de huizen leeggeroofd en vaak in brand gestoken. Zelden zeggen de Serviërs waar de mensen naar toe moeten.

Onderweg duiken de `zwarte patrouilles' op, op jacht naar geld, sieraden en paspoorten. De mensen verbergen zich in huizen en bossen en wanneer ze een grote groep vluchtelingen zien sluiten ze zich daarbij aan.

Veel mensen die niet in hun tent zitten, hangen rond bij de tenten van het Rode Kruis, de Franse militairen, de UNHCR, Artsen zonder Grenzen en nog een handvol hulpinstanties. Voor een felgeel tentje van UNICEF staat een bord met namen van kinderen die op zoek zijn naar hun ouders. Het bord van Stenkovec II bevatte gisteren 59 namen. Bij de twee satellietfoto's staan driehonderd mensen te wachten om een teken van leven te geven aan familie en bekenden buiten het kamp.

Af en toe komt er een mededeling dat een land bereid is om vluchtelingen op te nemen. Wie toevallig naast de megafoon staat, maakt een grote kans om mee te kunnen. Daarnaast hebben de vluchtelingen op hun formulier ook moeten aangeven naar welke landen ze willen en waarom. Al deze gegevens staan in een database op basis waarvan de uiteindelijke lijst wordt samengesteld. Dat is meestal een kwestie van een halve dag, maar zou je het ,,optimaal eerlijk en evenwichtig'' doen dan ben je ten minste drie dagen bezig, zegt Ghedini. ,,Die tijd hebben we niet. Lege tenten worden direct gevuld met nieuwe vluchtelingen.''

Het verschil met de opvang van de eerste stroom vluchtelingen, eind maart, is groot. Toen stonden `broeders en zusters' van de Kosovaren aan de grens met auto's en bussen om hen onder te brengen bij familie. Nu gaan de vluchtelingen direct naar de kampen. ,,De menselijkheid heeft het afgelegd tegen de rekenmachine'', constateert bij de ingang een inwoner van Skopje die al twee dagen probeert in het kamp zijn zus te bezoeken.

De `willekeur' ten aanzien van mensen die weg mogen, leidt tot veel onbegrip. ,,Wie marken heeft, is eerder weg'', zegt een zigeunervrouw die met haar familie aan het eind van het kamp bivakkeert. De mannen zitten rondom het vuur waarboven een kan koffie pruttelt. De vrouwen wassen kleren in een opengezaagd olievat. Hun afwachtende houding verdwijnt wanneer ze de satelliettelefoon zien. Een gesprekje met Duitsland staat gelijk aan twee opengeknipte colablikjes met koffie. ,,Wij willen naar Duitsland, want we hebben daar familie wonen. Wij zijn gezond, desnoods gaan we met eigen vervoer.''

Een complete familie en een goede gezondheid lijken een belemmering om het kamp snel te verlaten. ,,Gebroken gezinnen en de zieken, zwakken en misselijken gaan voor'', zegt de Nederlandse UNHCR'er Ab Buisman. De oude vrouw die bij Blace als laatste de bus werd ingeduwd heeft een goede kans dat ze het kamp snel kan verlaten. Haar man werkt in Italië, haar kinderen zijn nog in Kosovo, en ze heeft problemen met haar hart. Met haar buren sjokt ze naar tent 117. Een jongen draagt haar tas, een andere haar deken. In de tent veegt ze haar nieuwe slaapplaats schoon, vouwt haar deken uit en gaat op de grond liggen. Uit haar tas haalt ze twee fotolijstjes. Op de foto uit 1977 staat een jonge gezin – een statieportret van een vader, moeder, twee zonen, drie dochters. Met een punt van haar rok poetst ze het lijstje. Op de andere foto Tito, de man die Joegoslavië leidde tot zijn dood in 1980. ,,Toen leefden we'', verzucht ze.