Rotte vis

In de bijlage W&O van 6 maart interviewde Frank van Kolfschooten de antropologen Köbben en Tromp over hun boek De onwelkome boodschap. Betrokkene Niels Daan stelt zich te weer.

DR. NIELS DAAN wordt een kleine 30 keer opgevoerd op de 23 pagina's die Köbben en Tromp (K&T) in hun boek De onwelkome boodschap wijden aan de zaak `Het RIVO en Ad Corten'. De auteurs laten er geen twijfel over bestaan wie bij het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek de kwade genius is achter alle machinaties om een onderzoeker de mond te snoeren, wie bereid is een knieval te maken voor elke opdrachtgever. Ik vat deze pagina's op als regelrechte smaad. Hoewel K&T als stelregel (p.29) hadden `niet af te gaan op een los bericht, tenzij afkomstig van een journalist die zelf de moeite had genomen een affaire van alle kanten te bezien, zoals dat in de beste tradities van de journalistiek soms wel gebeurt', en zich gehoed hebben voor eenzijdigheid `door stelselmatig iedere langere uitgeschreven casus voor te leggen (...) aan iemand die te boek staat als tegenstander van de betrokkene(n) of anders toch als min of meer onpartijdige waarnemer (...)', hebben zij het niet nodig gevonden mij te horen.

De vraag is of er in deze casus op de een of andere wijze onderzoekers onder druk zijn gezet om hun conclusies of meningen te herzien. Er worden slechts twee concrete situaties opgevoerd, waar van pressie sprake zou zijn:

(1) Corten woont in mei 1992 een internationale vergadering van visserijbiologen bij. Na afloop alarmeert hij Fishing News International: ``Mr Corten said that many scientists took the signals from Brussels as `a strong encouragement' not to deal with the difficult questions of fisheries management anymore.''

(2) Tijdens het `ontbieden' van een aantal visserijbiologen door Directie Visserijen wordt in Den Haag in april 1993 overleg gevoerd over de bezwaren van deze laatsten tegen een beleidsnota. K&T: `De toenmalige RIVO-directeur (...) ging soepel overstag en de anderen volgden al spoedig.'

Ik was bij beide gelegenheden aanwezig. In het eerste geval is de beschreven voorstelling van zaken aantoonbaar onjuist, in het tweede geval zijn er over en weer kritische kanttekeningen gemaakt bij een veranderend beleid. Maar niemand is onder druk gezet om zijn eerder op schrift gestelde bezwaren te herroepen. In de rest van het verhaal van K&T komen alleen niet-onderbouwde suggesties voor als zou de RIVO-organisatie onder druk van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij handelen.

kwaliteitsborging

Corten heeft bij diverse gelegenheden, nationaal en internationaal, gelegenheid gekregen zijn inzichten te presenteren. Dat kan het probleem niet zijn. Anders ligt het bij informatievoorziening naar buiten. Naast de eigen verantwoordelijkheid heeft ook de instelling een verantwoordelijkheid, omdat de kwaliteit van het werk van een onderzoeker afstraalt op het instituut. Zo straalt het boek van Köbben en Tromp af op het LISWO en op de Leidse Universiteit. Kwaliteitsborging van instituutswege is geen bedreiging voor wetenschapsbeoefening. In het arbeidsconflict met Corten speelde vooral de correcte wijze van informatievoorziening een rol, maar K&T presenteren het geheel als een onontwarbare knoedel, waarbij de mengeling van resultaten, visies en insinuaties extra complicaties oproept. Voor een boek dat de vinger wil leggen op `hoe de wetenschap bedreigd wordt' is belangrijk of er bewust onderzoeksresultaten onder de mat zijn geschoven. Maar expliciete voorbeelden ontbreken.

Op het RIVO-DLO geldt voor iedereen zonder aanzien des persoons dat contacten met de pers namens het instituut vooraf aan de directie moeten worden gemeld en doorgesproken. Dit heeft niets te maken met een `spreekverbod' voor één individu. De regel is in zijn uitwerking heilloos, omdat tegen mensen die willens en wetens zondigen geen kruid gewassen is. Dat neemt niet weg dat snieren naar collega's voor de buitenwacht misschien grappig maar voor een instituut ontoelaatbaar zijn en daarom achteraf consequenties kunnen hebben voor de persoon. Het enige specifieke besluit dat Corten trof is dat hij vanaf 19 mei 1995 (het conflict is dan al geëscaleerd) `niet namens het RIVO naar buiten zal treden omdat hij niet in staat geacht wordt de beleidsgevoeligheid van zijn opmerkingen naar waarde te schatten'. Dit was naar aanleiding van een openbaar optreden, waarin hij kwetsend had uitgehaald naar het beleid en naar collega's.

Het boek gaat niet diep in op het meningsverschil, maar het komt er in essentie op neer dat een visserijbioloog het oneens is met collega's over hun taakopvatting en ook over het effect van een kamerbreed vastgesteld Nederlands Visserijbeleid op de visbestanden. Daar ligt niemand wakker van, ook niet op het RIVO. Corten heeft zijn visionaire `ramp' alom in woord en geschrift verkondigd, soms met toestemming van de dienst, soms zonder, soms op persoonlijke titel. Van `geheimen' kan geen sprake zijn geweest! Ik deel zijn visie – evenmin een geheim – dat het niet goed gaat met de Noordzeevisserij. Wel zie ik de oorzaak meer in de onmacht om politieke overeenstemming te bereiken over een effectief Gemeenschappelijk Visserijbeleid op Europees niveau, dan in een specifieke Nederlandse beleidsnota.

Uit de afsluitende paragraaf blijkt dat de auteurs de oorzaak, die Corten zelf geeft voor de affaire, naast zich hebben neergelegd. Over `die hele reeks artikelen in de pers waarin zij (zijn collega's; ND) worden afgeschilderd als degenen die door de knieën gegaan zijn' zegt Corten (p. 69): `Daarover zijn sommigen van hun vreselijk boos geworden. Achteraf gezien begrijpelijk, ik heb het effect daarvan onderschat.' Niettemin publiceren K&T een boek waarin alle verdachtmakingen nog eens de revue passeren. Diezelfde collega's zijn nu razend!

opheldering

Op p.71 wordt nog de zwaarwegende overweging van twee juristen gemeld dat `het RIVO in 1993 niet is geraadpleegd over de Structuurnota van LNV.' Ik kan een `Commentaar op Concept Structuurnota Zee- en Kustvisserij' van 8 kantjes overleggen, geschreven door Corten op 11 oktober 1991! Het dossier van Köbben en Tromp is kennelijk niet compleet. Een poging om bij K&T opheldering te krijgen bleef onbeantwoord en een kort geding lijkt de enige uitweg om een aantal zaken recht te zetten.

Het zou goed zijn als De onwelkome boodschap daarnaast beoordeeld werd als journalistiek product. Ik zou aan de Raad voor de Journalistiek willen vragen of er wel voldoende gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot hoor-en-wederhoor om de toets der kritiek voor `de beste tradities van de journalistiek' te kunnen doorstaan.

Prof.dr. Niels Daan is verbonden aan het RIVO-DLO in IJmuiden.