Psyche en auto

In het depot van Museum Boerhaave liggen talloze stukjes geschiedenis van de natuurwetenschap opgeslagen achter gordijnen en in ladenkasten. Zoals het kaarsjesapparaat van Poppelreuter voor het testen van chauffeurs.

TOEN DE psychologie nog in de kinderschoenen stond en `ingenieurs van de ziel' praktische laboratoriumkennis wilden aanwenden om problemen van de moderne mens te helpen oplossen, beschikten de grote bedrijven niet over een psychologische dienst maar hadden ze een afdeling voor psychotechniek. Die beschikte over apparaten en proefopstellingen waarmee (aspirant-)medewerkers werden getest op geschiktheid voor bepaalde functies. Psychotechnici, zo was de verwachting, zouden een `technologie van de geest' ontwikkelen waarmee bedrijven en overheidsinstellingen hun voordeel konden doen.

Zo ook het Staatsbedrijf der PTT. Daar werden in 1929 dr. R.A. Biegel en dr. J.E. de Quay op proef aangesteld om de bedrijfstop van psychotechnische adviezen te voorzien. De Quay vertrok na een jaar naar Tilburg (later werd hij minister-president) maar Biegel, van huis uit fysica, bleef en kreeg de kans om aan de Kortenaerkade in Den Haag een eigen psychotechnisch laboratorium in te richten. Doel was de juiste man of vrouw op wetenschappelijke grondslag op de juiste plek te krijgen. Personeel dat functies bekleedde waarvoor het psychologisch was toegerust gaf meer tevredenheid, en leverde de PTT een hoger rendement.

Niet iedereen bij het bedrijf was daar direct van overtuigd. Zo toonde de directeur van de girodienst zich verbolgen over Biegels aanbeveling om al te intelligente meisjes van zijn afdeling te weren: `Ik moet geen bevolking als van een sigarettenfabriek, ik moet hebben meisjes van een behoorlijke middenstand.' Biegels verhouding met de PTT-ambtenaren buiten haar laboratorium was tamelijk koel, sommigen zagen haar als een indringster. In besprekingen kon ze stevig van zich afbijten en herhaaldelijk groeide een zakelijk meningsverschil door haar optreden uit tot een persoonlijk conflict. 's Avonds reageerde ze zich thuis af door gefingeerde krantenberichten te schrijven of sprookjes waarin ze de ambtenaren die haar dwars zaten herkenbaar afschilderde als dom en verwaten.

Biegel was een gedreven propagandiste van de psychotechniek, die meer ophad met empirische kennis dan met theorie. Om zich in de uitgesproken mannenwereld van de PTT-top staande te houden droeg ze donkere, lange gewaden. Ook stond ze erop met `doctor' te worden aangesproken: `juffrouw' gaf maar verwarring. Ze was veeleisend, voor zichzelf en voor haar personeel, en publiceerde talloze artikelen in tijdschriften als De Ingenieur, Arts en Auto en PTT-Nieuws. Meestal handelden die over de wenselijkheid van een verplichte keuring van chauffeurs, een zaak waarvoor ze zich intensief heeft ingezet.

Die test, ingericht op basis van de apparaten die Biegel bij een bezoek aan het Parijse laboratorium van Lahy had gezien, werd het paradepaardje van het psychotechnisch laboratorium. Vanaf de start in 1933 was hij verplicht voor PTT-chauffeurs (na de oorlog ook voor bromfietsbestellers). Vele bedrijven lieten hun chauffeurs bij de PTT testen – aangemoedigd door de kortingen die verzekeringsmaatschappijen boden. In 1937 onderging ook de bezoekende Prins Bernhard de chauffeurstest, met doctor Biegel in de rol van proefleider. Met kunst en vliegwerk, aldus de legende, kwam de prins erdoor – om een paar maanden later met zijn snelle sportwagen een ernstig ongeluk te veroorzaken.

De chauffeurstest bestond uit acht kwantitatieve metingen. Daaronder een `proef voor verspreide aandacht' (waarbij de kandidaat op lampen en bellen moest reageren terwijl tegelijkertijd zijn aandacht wordt afgeleid door filmbeelden), het schatten van snelheden en afstanden, het aanvoelen van bewegingen, een krachtmeting en een verblindingsproef. Afgebeeld is het kaarsjesapparaat van Poppelreuter, door Biegel geperfectioneerd en `proef voor weldoordacht handelen' gedoopt. Op een verticaal bord liepen acht gummislangen kris kras door elkaar. Aan het ene uiteinde zat een gummipeer, aan het andere een glazen mondstuk. Met een druk op de knop liet de proefleider een celluloid strookje (kaarsje) boven een van de mondstukken omhoogspringen en ontbranden. Tegelijk startte een metronoom en om de kandidaat extra onder druk te zetten, werd er luidkeels meegeteld. De bedoeling was om in de wirwar van slangen `snel en toch na kalm overleg' de juiste peer te vinden om zo het brandende strookje omver te blazen. Het gedrag van de proefpersoon zou, aldus Biegel, `zeer kenmerkend zijn voor zijn gehele persoonlijkheid'. Een schrijfrecorder legde de handelingen vast.

In de loop van zo'n veertig jaar met deze chauffeurstest 34.565 keuringen uitgevoerd. In 1973, toen Biegels aanpak had afgedaan en de methodisch beter beproefde `pen en papier-tests' van de `verstehende' psychodiagnosticus de boventoon voerden, werd de vooroorlogse psychotechnische apparatuur door de PTT afgedankt en aan Museum Boerhaave geschonken. Biegel zelf heeft dit niet meer meegemaakt. Als jodin was ze in 1940 buiten dienst gesteld en een jaar later ontslagen. Ze verhuisde gedwongen naar Amsterdam, waar ze leider werd van het `Psychotechnisch Laboratorium der Joodsche Centrale voor Beroepsopleidingen'. Mei 1943 werden zij en haar zus Annie naar Westerbork gevoerd. Toen ze hoorden dat ze zich voor het dinsdagse transport naar Polen gereed moesten maken, hebben ze ieder de capsule cyaankali geslikt die ze uit voorzorg bij zich hadden. Betty overleed op 31 mei om 4 uur 's morgens in barak 55.

Dit is deel 4 van een maandelijkse serie over voorwerpen uit het depot van Museum Boerhaave. Het voorwerp staat voor de gelegenheid in het museum opgesteld. Adres: Lange St. Agnietenstraat 10, Leiden. Geopend di t/m za 10-17 u, zo 12-17u.