Picknickslootjes voor de lepelaar

In de zeventiende eeuw was het schudden van de lepelaarsnesten in het Zevenhuizensche Bosch onder Gouda een waar volksvermaak. Met Pinksteren werden de jonge vogels, die dan al konden lopen maar nog niet vliegen, met honderden tegelijk uit de bomen geschud. Vanuit het Haagsche Bosch, waar eeuwenlang een grote broedkolonie zat, werden jonge lepelaars massaal naar Engeland verkocht als speciale delicatesse.

Tot in de vorige eeuw broedden duizenden lepelaars in ons moerassige land. Ze bouwden hun flodderige nesten in dode wilgen en stapten op hoge poten door ondiep water, al maaiend met hun curieuze platte snavels vol ultragevoelige tastzintuigen om stekelbaarsjes, garnalen en ander klein grut op te sporen. Maar moerassen werden drooggelegd, meren ingepolderd. Bestrijdingsmiddelen deden de rest. Omstreeks 1968 waren er nog maar 150 broedparen over. Het uitsterven van deze grote witte moerasvogel zou des te spijtiger zijn omdat hij buiten Nederland in de wijde omtrek niet voorkomt. Pas tweeduizend kilometer zuidelijker, in Spanje, zitten weer broedkolonies.

Naarmate de waterkwaliteit weer vooruit ging, begonnen de lepelaars aan hun come-back. Als raskolonisten ontdekten ze de Oostvaardersplassen, waarbinnen ze meermalen verkasten. Vervolgens weken ze uit naar de Waddeneilanden, want daar ontbreekt de vos, die op zijn beurt ook in opmars is. Het Naardermeer, jarenlang hét bolwerk, is nu verlaten.

Mediterrane lepelaars broeden in bomen en ook in ons land gebeurt dat steeds vaker. Lepelaars zijn echte opportunisten. Zo ontdekten ze onlangs de Ackerdijkse Plassen bij Delft, waar ze nu doodgemoedereerd rondpoedelen door slootjes rond vliegveld Zestienhoven.

Op de oostpunt van Ameland kijkt beheerder Richard Kiewiet elk voorjaar reikhalzend naar ze uit. ,,In 1992 hadden we voor het eerst twee broedpaartjes op het Oerd. De jaren daarna kwamen ze soms wel, soms niet. Vorig jaar hadden we al 24 broedparen!'' Ze broeden op Ameland aan de rand van de kwelders. Vroeg in het voorjaar vliegen ze af en aan naar Friesland om daar in polderslootjes te gaan vissen. Vanaf juni, als de jonge garnalen groot genoeg zijn, blijven ze op het wad. Bij harde wind en hoog water verdwijnen nesten vol eieren of jonge vogels in de golven. Onoverkomelijk is dat niet. ,,Een volwassen lepelaar kan wel 25 jaar oud worden. Ze zijn ingesteld op calamiteiten'', zegt Kiewiet.

Omdat de lepelaar in de jaren negentig met zo'n 500 broedparen in een stuk of tien kolonies nog altijd uiterst kwetsbaar was, ging in 1994 een soortenbeschermingsplan van start, net als eerder voor korhoen en patrijs, otter en kerkuil. Donderdag bood Vogelbescherming Nederland het eindrapport Lang leve de lepelaar aan staatssecretaris Geke Faber van Natuurbeheer aan. Er is werkelijk heel wat uit de kast gehaald om de lepelaars te plezieren. Ecologische adviesbureaus ontwierpen plasbermen en overstromingszones, sloten met accoladeprofielen, onderwaterbanketten en vooroevers. Bij de landinrichting Schagerkogge groef men speciale ondiepe picknickslootjes. Texel kreeg een speciale hevelpassage om de trek van het favoriete lepelaarshapje, de driedoornige stekelbaars, van zout naar zoet water te vergemakkelijken. Zo zijn 70 projecten uitgevoerd voor onze witgevederde vrienden. Ruim 1.100 broedparen zijn het resultaat.

Bioloog Ernst Poorter van de Stichting Lepelaaronderzoek Nederland in Lelystad en destijds medeauteur van het soortenbeschermingsplan haalt bij alle feestvreugde de schouders op. ,,Eerst is er zeven jaar over dat plan geruzied en uiteindelijk is er van alle beschermende maatregelen weinig terechtgekomen. Kostbare gebieden zijn onbeschermd, broedplaatsen worden verstoord. Het Balgzand bij Wieringen bijvoorbeeld is een belangrijke hoogwatervluchtplaats voor lepelaars, maar daar lopen allemaal mensen met honden rond. Of kijk naar de Makkumerwaard bij de Friese Afsluitdijk. Daar stikt het van de windsurfers hoewel het gebied onder de Natuurbeschermingswet valt. Dat weten ze bij het ministerie van Natuurbeheer ook best, maar ze doen er niks aan.''

Een ander voorbeeld van wanbeheer vindt hij de kade die enkele jaren geleden door de Oostvaardersplassen werd aangelegd om de waterhuishouding in het gebied tijdelijk te reguleren. ,,Sindsdien hebben vossen in het gebied vrij spel'', zegt Poorter die zelf in Lelystad woont. ,,Anders dan beloofd is die kade nooit meer weggehaald, alleen doorbroken. Maar een vos kan rustig een paar honderd meter zwemmen of waden, daar geeft hij niks om. In 1995 hadden we hier nog 360 broedparen. Daarna werden alle nesten door de vos verstoord. Volgens mij zijn de lepelaars hier helemaal opgehouden met broeden, al zie je die groep hier nog wel rondzwerven.''

Ook bij alle hulp aan de driedoornige stekelbaars zet Poorter vraagtekens, omdat daar sowieso geen gebrek aan is en bovendien lusten de lepelaars vaak liever tiendoornige stekelbaarzen. ,,Als je maar maatregelen treft en tamtam maakt, wek je de indruk dat het goed gaat met de natuur en kun je jezelf op de borst slaan. Pure flauwekul!''

In werkelijkheid dankt de lepelaar volgens Poorter zijn succes aan hele andere oorzaken. Zo zijn de belangrijkste wetlands voor de Marokkaanse kust, waar onze lepelaars 's winters vertoeven, al begin jaren tachtig uit de jacht gehaald, afgezien van een enkele jachttrip voor buitenlanders. Ook in Franse natuurgebieden op de trekroute is de jacht beperkt. Verder heeft de aanleg van een stuwdam in de Senegalrivier, voor voedselrijke, voor vogels aantrekkelijke vloedvlakten gezorgd. Poorter volgt de lepelaars al jaren naar Afrika en ziet dan vaak vogels die hij zelf geringd heeft terug. ,,In januari zag ik in Marokko nog een vrouwtje dat inmiddels 20 is en mijn oudste lepelaar is nu 24.''

Onlangs heeft de mestwetgeving ertoe geleid dat het waterpeil op veel plaatsen is verlaagd om vroeg in het voorjaar het onderwerken van mest met zware machines mogelijk te maken. ,,Voor veel weidevogels rampzalig, maar voor de lepelaars juist heel aantrekkelijk'', zegt Poorter, ,,want nu liggen de vissen in die polderslootjes voor het oplepelen.''