Opnieuw cijferen voor de auto

Autorijden leidt vaak tot cijferwerk. Zeker voor mensen die een auto zowel zakelijk als voor privé-doeleinden gebruiken. Maar ook voor degenen die afwegen of ze een lease-auto willen of tegen een kostenvergoeding willen rijden. Wie een goede keuze wil maken, moet goed letten op de nieuwe regeling de auto-van-de-zaak die staatssecretaris Vermeend (Financiën) eind van dit jaar wil invoeren.

Staatssecretaris Vermeend is gedwongen iets te ondernemen omdat de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het huidige systeem voor belastingheffing van de auto van de zaak niet deugt en snel gewijzigd moet worden. Anders zal de Raad zelf een deel van de regeling buiten werking stellen. Het is al lang regeringsbeleid om het autogebruik te ontmoedigen. Dat gebeurt onder meer met het zogenaamde autokostenforfait. Dat is een fictieve inkomenspost: 20 procent van de catalogusprijs van de auto wordt belast alsof iemand dat bedrag daadwerkelijk in contanten als loon heeft ontvangen. Als een soort strafheffing werd dat percentage enkele jaren geleden voor degenen die meer dan 30 kilometer van hun werk wonen, opgehoogd naar 24. Voor een auto met een catalogusprijs van een ton, wordt het inkomen dan opgehoogd met 24.000 gulden. Dat betekent, als het 60-procentstarief van toepassing is, een extra belastingbetaling van 14.400 gulden. Heeft men dat offer eenmaal gebracht, dan kan bijvoorbeeld de directeur-eigenaar van een bedrijf alle autokosten, ook het benzineverbruik van zijn weekendtripjes en vakanties met de auto, op rekening zetten van de zaak; zeker aantrekkelijk bij een eigen zaak. De autokosten verlagen de winstbelasting en zo heeft de betrokkene het gevoel dat hij nog iets terugverdient op de kosten van het autokostenforfait. Op die manier is het forfait bepaald geen stimulans om minder te gaan rijden en dat betekent – ook los van de bezwaren van de Hoge Raad – het failliet van het regeringsbeleid op dit punt.

De contouren van de aanpassing die staatssecretaris Vermeend wil aanbrengen, worden gaandeweg zichtbaar. Vanaf 1 januari 2000 zou het percentage van het autokostenforfait niet langer afhankelijk zijn van de afstand die men van het werk woont, maar van het aantal privé-kilometers dat men rijdt. De afstand tot het werk zou van belang kunnen blijven als de woon-werk-kilometers als privé-gebruik worden bestempeld. In de cijfers die nu circuleren, wordt de inkomensbijtelling verlaagd tot 15 procent van de catalogusprijs voor degenen die tussen de 500 en 4000 kilometer privé rijden. Het 20 procenttarief zou dan gelden bij een privé-kilometrage van 4000 tot 7000 terwijl men 25 procent moet bijtellen bij meer privé kilometers. Dat gaat nog spannen, want het gemiddelde privé-gebruik van een lease-auto ligt in de buurt van de 7000 kilometer. De berijder komt voor de taak te staan een uitvoerige kilometeradministratie bij te houden, als hij tenminste op een lagere bijtelling dan het maximum van 25 procent aanspraak wil maken.

Gaandeweg kan de lease-auto voor sommige mensen wel eens een minder aantrekkelijk statussymbool worden. Wie voor persoonlijk gebruik zou kunnen volstaan met een bescheiden auto, rijdt als offer voor zijn vette leasebak rond als een reizend fiscaal administrateur of betaalt vele duizenden guldens aan extra belastinggeld. Een kostenvergoeding voor het gebruik van een kleinere of oudere eigen auto kan daar tegen op wegen. Zelfs de bescheiden tegemoetkomingen die belastingvrij mogen worden toegekend, kunnen dan `winst' opleveren. Voor het woon-werkverkeer geldt een mager forfait, maar voor de verdere zakelijke kilometers mag 60 cent per kilometer belastingvrij worden vergoed.

De meeste keuzemogelijkheden (met begeleidend cijferwerk) zijn er voor ondernemers met een eigen bedrijf. Tot die groep behoren de parttimers, die naast hun baan ook voor eigen rekening activiteiten ontplooien. Velen kunnen al snel als een ondernemer worden aangemerkt (flexwerkers, freelancers, de meewerkende partner, etc). Deze groep kan er voor kiezen om de auto niet boekhoudkundig in de zaak onder te brengen maar als privé persoon aan te houden. In dat geval mag zestig cent voor elke zakelijke kilometer worden afgetrokken en aan de ondernemer persoonlijk ten goede komen. Tot de zakelijke kilometers behoren in het huidige belastingrecht niet alleen de ritten naar klanten en opdrachtgevers, maar ook de kilometers van huis naar kantoor. Opmerkelijk is dat in het vergoedingsysteem de werkelijke autokosten geen rol meer spelen en dat bij 20.000 zakelijke kilometers dus twaalf duizend gulden mag worden afgetrokken, ook als de werkelijke autokosten lager zijn. Over een eventuele wijziging van deze regeling zijn (nog) geen berichten naar buiten gekomen. Bij de verwachte bestendiging van de regeling biedt ze veel parttimers met een eigen bedrijfje een aardig buitenkansje: een vaste kilometervergoeding in plaats van een inkomensbijtelling die tot 25 procent van de catalogusprijs kan oplopen. Voor degenen die in het verleden niet voor deze optie kozen omdat toen het woon-werkverkeer niet als zakelijk werd beschouwd, heeft de belastingrechter op formele gronden een uitzonderlijke opening voor een herziening van hun keuze geforceerd. De spijtoptanten kunnen met de zegen van de Belastingdienst in veel gevallen eenmalig hun keuze herzien, zelfs na indiening van de aangifte. Dat bevrijdt hen met terugwerkende kracht van de forfaitaire bijtelling van een percentage van de catalogusprijs en brengt de aftrek per gereden zakelijke kilometer van 60 cent binnen handbereik. Men moet dan wel duidelijk kunnen maken welke gereden kilometers een zakelijk karakter droegen. Fiscaal voordeel is niet alleen een kwestie van cijferen maar ook van een goede administratie.