Neurenberg

Dat je door een land in oorlog rijdt is niet zichtbaar. Op de Autobahn geen legercolonnes, maar trailers met plezierboten. In de lucht alleen maar witte strepen van en naar vakantielanden. Nee, hier wordt de oorlog gevoerd in de krantenkoppen, op de televisie, in de nachtelijke herinneringen, aan de tafels van de Raststätte.

Twee weken gelegen kwam de oorlog soms ter sprake, nu ligt hij voor op de tong. ,,'s Avonds zwierven hele gezinnen door de stad, mijn vader heeft ze wel binnengehaald'', zegt een vrouw uit Düsseldorf, die als meisje bij de Russische opmars voor haar leven had gefietst. ,,Het nooit-meer-oorlog is onze generatie in de ziel gekerfd'', zegt haar man, een gepensioneerde aannemer. Zijn vader bevroor in het oosten.

Ik koop de Frankfurter Allgemeine. `Eindelijk kan het soevereine Duitsland de oude droom van een versmelting tussen moraal en politiek verwerkelijken', schrijft de krant. Daarom is het ook niet toevallig dat juist eengroenvinkje-regering deze oorlog begon: het was in aanzet een morele oorlog, een oorlog van idealisten, niet van realisten. `De grootmacht Bondsrepubliek geeft die moraliteit van goedwillenden een gevoel van macht, dat ze helemaal niet gewend zijn.'

's Avonds zit ik op de vervallen eretribune in Neurenberg, een van de weinige bouwsels die nog resten van het befaamde nazi-complex. Merels fluiten. Op de voormalige paradegrond wordt gejogd. Naast me oefenen vier jongens met een skateboard. Nergens kun je beter leren springen dan vanaf deze vergeten tribunebanken, op een aprilavond in 1999.