Lauwe bron

In de de Turkse ruïneheuvel Ilipinar bloeide tussen 6.000 en 5.500 jaar voor Christus een dorpsgemeenschap. Toen werd de nederzetting plotseling verlaten. Waarom?

HÖYÜK is het Turkse woord voor ruïneheuvel (tell het Arabische). Deze bulten groeiden in het landschap doordat men millennia lang nieuwe nederzettingen op de restanten van oudere bouwde. Ruïneheuvels zijn door hun gelaagheid en lange bewoningsgeschiedenis de krenten in de archeologische pap. Zeker als ze in een interessante omgeving liggen, zoals Ilipinar in Noordwest-Turkije.

Archeologische verkenningen hebben in de jaren vijftig uitgewezen dat Ilipinar heel oude overblijfselen moest herbergen, teruggaand tot de laatste eeuwen van het zesde millennium voor Christus. Dat is de tijd waarin een nieuwe leefwijze zich vanuit het Midden-Oosten in de richting van Europa verspreidde. Het gaat dan om een plaatsgebonden bestaan en de productie van voedsel (in tegenstelling het zwervende jagen en verzamelen van daarvoor): de start van het Neolithicum. Toen dr. J.J. Roodenberg in 1987 de kans kreeg in Ilipinar te gaan graven, greep hij die met beide handen aan. Roodenberg was destijds conservator van het Nederlands Historisch Archeologisch Instituut te Istanbul, tegenwoordig is hij verbonden aan het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten.

Tien opgravingscampagnes hebben uitgewezen dat de höyük van Ilipinar tussen ongeveer 6.000 en 5.500 v.Chr. continu bewoond is geweest. Daarna volgt een hiaat van circa twaalfhonderd jaar. In de Vroege Bronstijd keerde de bewoning terug, een situatie die, met tussenpozen, gehandhaafd bleef tot de zesde, zevende eeuw na Christus. Steeds lijkt de uitstroom van helder, fris bronwater op een plek aan de voet van de heuvel de reden voor vestiging te zijn geweest – Ilipinar betekent `Lauwe Bron'.

De oudste fase laat een aaneensluitende culturele ontwikkeling zien, zowel in het aardewerk als in de huisplattegronden. Een verrassing daarbij was de conserveringstoestand van het hout dat voor de bouw van de huizen werd gebruikt. Verstening door kalkrijk grondwater had de houtstructuur tot op de vezels bewaard. De discussie over de verspreiding van het Neolithicum is door de uitkomsten van Roodenbergs onderzoek gecompliceerd. Zo stroken de Anatolische invloeden op het aardewerk met het beeld van een verspreidingspatroon in de oost-west-richting. De overige materiële cultuur vertoont grote overeenkomsten met die van de Balkan destijds. Daartegenover staat weer dat schapen vanuit Klein-Azië in de Balkan werden geïmporteerd en dat runderen eerder in Klein Azië dan in de Balkan de grootste vleesproducenten zijn geworden.

De opgravingen van 1998 richtten zich op de oudste bewoningsfase. Het eerste dorp uit circa 6.000 voor Christus, omgeven door een ontwateringsgracht, telde zo'n tien huizen in twee typen: kleine, rechthoekige woningen van plaggen en huizen van palen en vlechtwerk dat met leem was dichtgesmeerd. In het grafveld aan de rand van de nederzetting werden vorig jaar twaalf graven gevonden; met eerdere bergingen kwam het totale aantal stoffelijke resten uit deze periode op ongeveer vijftig. Een aantal overledenen bleek te zijn begraven op een baar van planken.

Rond 5.700 voor Christus begonnen de dorpelingen tichels voor de huizenbouw te gebruiken. Leem en strohaksel werden gemengd en in de vorm van blokken in de zon gedroogd. In Ilipinar verschenen echte huizen, sommige twee verdiepingen hoog, met een lichte dakconstructie. Een brand die in een van de huizen had gewoed leverde de onderzoekers een momentopname. Door het vuur werden de tichels en de vloeren gebakken. Weliswaar stortte de zaak in, maar zorgvuldig onderzoek van de lagen leerde dat op de bovenverdieping maalstenen, vaatwerk en andere huisraad stond en beneden ovens en opslagmogelijkheden voor graan. Dit huis blijkt met de aanpalende huizen die werden teruggevonden deel uit te maken van een soort ring, waarschijnlijk de begrenzing van het dorp. Dat was inmiddels uitgegroeid tot twee, drie keer de omvang van de oorspronkelijke nederzetting: het ging die mensen kennelijk goed. Een aanwijzing daarvoor is ook het steeds groter worden van silo's, manden en vaatwerk voor de opslag van voedsel als granen en peulvruchten.

Waarom het dorp ongeveer 5.500 voor Christus schijnbaar plotseling werd verlaten, heeft het onderzoek nog niet duidelijkheid kunnen maken. Wel ontdekte Roodenberg dat zich kort daarop mensen aan de rand van oude nederzetting vestigden. Zij bouwden kleine, half ingegraven hutten met een zeer beperkte inrichting: een aarden bankje, een oven, een maalsteen en wat vaatwerk. Vijf van deze dwelling pits konden worden gereconstrueerd. Grote hoeveelheden verbrand graan, het ontbreken van slachtafval en het karige karakter van de onderkomens brachten Roodenberg tot de veronderstelling dat het hier ging om mensen die de verlaten akkers exploiteerden en alleen in het dorp verbleven om te zaaien en te oogsten. Ze hadden gereedschap en aardewerk dat niet in de lokale ontwikkeling paste maar afkomstig lijkt van een cultuur die zich in het zesde millennium voor Christus manifesteerde in de Balkan.

In 1998 kreeg Roodenberg te Ilipinar bezoek van een ploeg van de BBC. Die werkte aan een documentaire over een theorie van twee geologen (onlangs uitgezonden onder de titel The Great Flood). De mythe van de zondvloed zou via het Gilgamesj-epos en de joodse ballingschap in Babylon een echo zijn van een natuurramp. Een ramp waarbij het stijgende water van de Middellandse Zee in Noordwest-Turkije een doorbraak forceerde naar de laagte daarachter, waar zich een meer met brede oevers bevond. Aldus ontstonden Bosporus en Zwarte Zee. De mensen die op de oevers woonden zouden zijn verrast door het snel wassende water en wie niet kon vluchten verdronk. Het geraas van de doorbraak moet tot tweehonderd kilometer ver hoorbaar zijn geweest. Ilipinar ligt hemelsbreed zo'n tachtig kilometer van de Bosporus.

Die plotse cultuuromslag in Ilipinar was voor de makers van de documentaire een geschenk uit de hemel. Ging het om vluchtelingen van de oevers van het voormalige meer, overlevenden van de ramp? Roodenberg is sceptisch over zo'n verband. De dateringen sporen niet precies: de doorbraak zou pas een paar honderd jaar later hebben plaatsgevonden. Eerder is hij geneigd de cultuuromslag te zien als een aanwijzing voor een van de `gewone' – destijds vaker voorkomende – interregionale migratiebewegingen. Die konden een vergaande verstoring betekenen van bestaande patronen.