Joegoslavië én buren lijden schade

Over de militaire schade die in drie weken is aangericht, is weinig concreets bekend. Duidelijk is wel dat de toch al miserabele economie van Joegoslavië schade ondervindt. Maar óók die van de buurlanden.

Welke concrete gevolgen de NAVO-luchtacties in Joegoslavië hebben is deze week onduidelijk gebleven. Een aanzienlijk deel van de infrastructuur is vernield: communicatiecentra, zendmasten, wegen, spoorlijnen en bruggen zijn getroffen, fabrieken verwoest. Maar betrouwbare informatie over wat dit betekent voor de economie als geheel of de bevoorrading in het bijzonder ontbreekt. Betrouwbare gegevens over de economie ontbraken trouwens al vóór de oorlog. Tijdens de Bosnische oorlog, toen Joegoslavië werd getroffen door sancties, onderging de economie een diepgaande transformatie: ze werd een op smokkel, schijn en bedrog gebaseerde economie. Met een bewust op gang gebrachte hyperinflatie (uiteindelijk duizenden procenten per dag) werd de bevolking haar gespaarde valuta uit de zak geklopt. Directeuren van de staatsbedrijven werden minister (en zijn dat nog). De staatskas werd gebruikt om bedrijfsverliezen aan te vullen en smokkelkoningen maakten economisch de dienst uit.

Nog altijd is de economie een ondoorzichtig geheel. De 901 grootste bedrijven maken 1,3 procent van het totale aantal bedrijven uit maar bieden 52 procent van beroepsbevolking werk en nemen 82 procent van de totale bedrijfsverliezen voor hun rekening. Hoe meer ze werken, hoe groter de verliezen. Het zou dus beter zijn ze te sluiten, maar dan is 52 procent van bevolking werkloos en zijn de directeuren annex ministers hun lucratieve baantjes kwijt. Gesloten wordt er dus niets. Het is ook goedkoper werknemers met onbetaald verlof te sturen dan hun een werkloosheidsuitkering te geven. Eind vorig jaar waren er 600.000 werklozen, maar 800.000 werknemers met onbetaald verlof (op een bevolking van tien miljoen). Dit gebeurt allemaal op kosten van de steeds armere bevolking. Een busrit naar de dokter is onbetaalbaar: die rit kost meer dan de behandeling zelf.

Wàt de luchtacties daaraan veranderd hebben weet niemand, maar duidelijk is dat de toch al miserabele toestand van de economie nog is verslechterd. Zeker is ook dat in Kosovo veel producten zijn gerantsoeneerd. Wat wel is veranderd is het zondebok-effect: de Joegoslavische leiding kan nog beter dan vóór de luchtacties de boze buitenwereld de schuld geven van de economische ellende.

Onder de etnische minderheden in Servië groeit inmiddels de angst: zij vrezen het volgende slachtoffer van etnische zuivering te worden. Dat geldt vooral de Hongaarse minderheid in het noorden, in de Vojvodina. Het zijn niet alleen maar Albanezen die Kosovo ontvluchten of eruit worden gejaagd, ook de Serviërs (tien procent van de bevolking) gaan er weg. En die Serviërs gaan het liefst naar de Vojvodina: dat is de rijkste regio van Joegoslavië, daar valt veel te halen. Op de Hongaarse radio zei eerder deze week een lid van de Hongaarse minderheid in de Vojvodina: ,,De Hongaren zijn bang voor de [Servische] vluchtelingen uit Kosovo. Ze hebben veel wapens. Ze organiseren zich in de dorpen, ze beginnen de Hongaarse huizen onder zichzelf te verdelen. De betere huizen. Ze zeggen ons: waarom ga je niet weg? We verdrijven jullie toch.'' In Boedapest werd deze week gewaarschuwd dat de Vojvodina een nieuw Kosovo zou kunnen worden.

In de buurlanden beginnen de consequenties van de oorlog te bijten, de politieke (in de Servische Republiek in Bosnië radicaliseren de Serviërs dusdanig dat gematigde leiders hun gezicht niet meer in het openbaar kunnen laten zien en raakt het vredesakkoord van Dayton in de gevarenzone) en vooral de economische. De vernieling van twee Donau-bruggen in Novi Sad, de hoofdstad van de Vojvodina, beroofde Bulgarije van een belangrijke transportlijn voor zijn invoer uit en uitvoer naar Europa. Die dalen op slag met vijftien procent. Het scheepvaartverkeer op de Donau ligt stil, en de economieën van Roemenië, Bulgarije en Hongarije dragen de schade zonder hoop daarvoor te worden gecompenseerd.

In deze buurlanden en in Macedonië, Slovenië en Kroatië wordt rekening gehouden met ernstige economische klappen als gevolg van de oorlog. Exportlijnen zijn onderbroken, met Joegoslavië wordt geen handel gedreven, de inkomsten uit het toerisme zullen afnemen (met dertig procent, verwacht Slovenië) en investeerders raken afgeschrikt, zij komen niet meer naar een regio waar oorlog heerst: de oorlog is misschien ver weg, maar oorlog ondermijnt het vertrouwen in alle buurlanden.

Voor de Macedonische economie zijn de gevolgen (inclusief de komst van 130.000 vluchtelingen op een bevolking van twee miljoen) tragisch en rampzalig. Joegoslavië is een uiterst belangrijke handelspartner. In Skopje wordt geschat dat de handel met Joegoslavië dit jaar met tweederde afneemt en gevreesd dat de totale buitenlandse handel dit jaar wordt gehalveerd. Negentig procent van de in- en uitvoer werd via Joegoslavisch grondgebied afgewikkeld. Die lijnen zijn onderbroken en de transportkosten zullen minimaal verdubbelen.

Bovendien zijn in hele industriesectoren (metaal, chemie, leer) Macedonische bedrijven voor de aanvoer van grondstoffen voor honderd procent afhankelijk van Joegoslavische leveranciers. In de leerindustrie staat nu al zeventig procent van de werknemers op straat wegens het ontbreken van grondstoffen.

Bovendien verbreken Westerse partners contracten met Macedonische bedrijven wegens het verhoogde risico. Al na één week van bombardementen schatte men in Skopje de schade aan de economie op honderd miljoen dollar. En als er hulp komt, is die nog ver weg. Macedonië ziet zich aldus, net nu de economie in 1998 eindelijk en voor het eerst sinds 1991 een behoorlijke groei (van vijf procent) te zien heeft gegeven, teruggeworpen op het niveau van de hulpbehoevende die het in de eerste jaren na de onafhankelijkheid was.