Humoristen in Letterenmuseum

Godfried Bomans, Simon Carmiggelt, Kees Stip en Kees van Kooten, vier auteurs van lichte letteren, zijn verenigd op een tentoonstelling in het Letterkundig Museum.

Twee van de auteurs aan wie de tentoonstelling Vier lichte letterheren is gewijd, leven nog. De puntdichter Kees Stip is 85 en de humorist Kees van Kooten is 57. Ze ontmoetten elkaar donderdagmiddag bij de opening, in het Letterkundig Museum, en zeiden: ,,Zullen we elkaar Kees noemen?'' Stip sprak niet in het openbaar, Van Kooten las een verhaal voor uit zijn maandag te verschijnen bundel Levensnevel. Van de andere twee, Godfried Bomans en Simon Carmiggelt, waren bewonderaars aanwezig.

Wat de overeenkomsten tussen deze vier schrijvers zijn – behalve het feit dat drie van hen in 1913 werden geboren – wordt in deze luchtige uitstalling van foto's, manuscripten, boeken, brieven en curiosa niet duidelijk. Hun bestaan is hier min of meer geïsoleerd van dat van andere humorschrijvers. Wel is bij de ingang een legitimatie opgehangen, ontleend aan het voorwoord van Youp van 't Hek in het bijbehorende Schrijversprentenboek dat eveneens donderdag ten doop werd gehouden: ,,...En nooit meer wil ik met een zogenaamde echte schrijver de discussie voeren dat het schrijven van grappige stukjes gemakkelijk is. Onzin. Het schrijven van een grappig stukje is duizend keer moeilijker dan iedereen denkt.''

Meer dan ooit, aldus directeur Anton Korteweg, is ditmaal het materiaal dat doorgaans van schrijvers wordt geëxposeerd, aangevuld met parafernalia van andere snit. Zo is Bomans onder meer vertegenwoordigd met een tabakspot, een pijp, een Sinterklaasmijter die hij ooit droeg, en een Solex, behorend bij het verhaal dat de fabrikant hem zo'n bromfiets stuurde om er een wervend stukje over te kunnen schrijven. Het bijschrift vermeldt niet dat Bomans de gevraagde tekst nooit heeft geleverd. In tegenstelling tot Carmiggelt, die regelmatig in het Solex-blad heeft gepubliceerd, en tevens een blad redigeerde voor de jeneverstokerij Rynbende. Van hem ligt er ook een brief uit 1950, waarin hij Victor van Vriesland om een stukje voor dat blad vroeg: 20 gulden per velletje plus een kruik zeer oude jenever.

Stip en Van Kooten hebben zelf veel aan de tentoonstelling bijgedragen. Stip laat bijvoorbeeld een blocnote zien, waarin hij met de hand een onvoltooide en nooit gepubliceerde roman schreef. Het huiselijkst is de bric à brac van Van Kooten, waaronder een trekpop die in 1973 voor zoon Kasper werd gemaakt door opa Van Kooten, een door de andere opa vervaardigd theemeubel dat is beschreven in de bundel Zeven sloten, de trouwkaart, de geboortekaartjes van Kim en Kasper, de vakantieplakboeken van vader Van Kooten en diens mondharmonica.

Van de schoolrapporten, meestal een vast nummer op letterkundige exposities, ontbreken die van Carmiggelt en Van Kooten. Bomans verliet het gymnasium met het hoogst haalbare cijfer (een 5) voor Nederlands, maar Stip moest het op de lagere school stellen met een magere 6. Dat er aan zijn taalgevoel desondanks niets ontbrak, blijkt onder meer uit het slot van een zelfportretterend vers: ,,(ik) kietel de taal, mijn beste man, waar deze daar niet tegen kan.'' Het is hier uitvergroot opgehangen, en het geldt ook voor de drie anderen.

Vier lichte letterheren, Letterkundig Museum, Den Haag, t/m 12/9.

Schrijversprentenboek 44, uitg. Thomas Rap, ƒ35.

Kees van Kooten leest op 16/5 in het Letterkundig Museum voor uit eigen werk, 14.00u.