HET MOET ANDERS

Het gebrek aan leraren is ontstaan door een te gering maatschappelijk enthousiasme voor het ideaal van `goed onderwijs voor allen'. De leraren zoeken het zelf maar uit, is de heersende sfeer. Terwijl de problemen steeds groter worden. Snel ingrijpen is dan ook dringend gewenst - schrijven Sarah Blom en Geert ten Dam

Onder het motto: `beter iemand voor de klas dan niemand' hebben in de afgelopen weken eerst de grootste onderwijsvakbond, de AOB, en vervolgens minister Hermans (onderwijs) met een onontkoombaar lijkend pragmatisme gekozen voor het opgeven van de bevoegdheidseis voor leraren. Gebeurde dat bij een nijpend tekort aan artsen, dan zou de wereld te klein zijn.

Verontrustend is dat de tekorten aan leraren al jaren te voorzien waren. Verbazingwekkend zijn de tamme reacties na de aankondiging van de plannen. Ouders lopen niet te hoop, leraren leggen niet massaal het werk neer, terwijl hier toch een duidelijke aantasting van professionele bekwaamheid wordt gepleegd die de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede kan komen.

Waarschijnlijk zijn deze vreemde gebeurtenissen het beste te begrijpen als een symptoom van een onderliggende onbeheersbaarheid van een cruciaal publiek domein als het onderwijs. De recente nota van Staatssecretaris Adelmund en Minister Hermans biedt zo'n nadere analyse van de toestand niet. Die nota bevat alleen noodzakelijk geachte korte-termijn-oplossingen. Ook in twee recente belangrijke adviezen die zich bogen over de opleiding en bevoegdheid van leraar - het éne geschreven door de commissie Wijnen voor de HBO-Raad, het andere door de commissie Slangen voor de VSNU - ontbreekt een dieper inzicht.

Natuurlijk, de problemen zelf zijn bekend genoeg. Beide rapporten constateren dat er enorme tekorten aan leraren zijn die zullen toenemen door vergrijzing en klassenverkleining. Ze wijzen ook op de daling van de status van het beroep leraar. Voor de commissie Wijnen ligt in dat laatste een oorzaak van het huidige tekort, de commissie Slangen aanvaardt het eenvoudig als gegeven. De eerste commissie pleit dan ook voor een opwaardering van het beroep door academisering: alleen universitair opgeleide docenten voor de klas. En de andere commissie pleit juist voor het leggen van de opleidings- en bevoegdheidsverantwoordelijkheid bij de scholen zelf, in feite: anything goes.

FNUIKEND

Wat is er dan wel aan de hand rond het beroep leraar? Kort gezegd: leraren krijgen wel steeds meer repercussies van ingrijpende maatschappelijke veranderingen in de klas, maar tegelijkertijd kunnen ze steeds minder rekenen op politieke en maatschappelijke steun en waardering. Dat is fnuikend voor een beroep waarin professionele vaardigheden verbonden zijn aan inhoud en idealisme.

De eerste repercussie komt van een fikse verschuiving in het economisch bestel. De Nederlandse samenleving moet in staat zijn om nieuwe generaties te leveren die aan de hoge eisen van een globale kenniseconomie kunnen voldoen, en die - mede dankzij hun hoge opleidingsniveau - hun bijdrage kunnen leveren aan de kosten die de groeiende groep ouderen met zich mee brengt. Het zijn leraren die deze nieuwe generaties opleiden. Het gaat daarbij lang niet meer alleen om kennisoverdracht, maar ook om het leren denken en leren onderzoeken, het versterken van sociale competenties en burgerschapszin. De overheid eist dat leerlingen leren om te leren en om zelfstandig te leren. Wie deze eis in verband brengt met de omvang van een generatie die zo opgeleid zal moeten worden, beseft dat het onderwijs, en de leraar in het bijzonder, voor een niet geringe verantwoordelijkheid en taakverschuiving staat. Wat vroeger aan een relatief kleine groep geleerd diende te worden - die overigens veel van die competenties al thuis had verworven - zou nu aan ongeveer 80% van een generatie onderwezen moeten worden. Als we tenminste in de pas willen blijven met de landen waarmee we ons willen vergelijken.

Ten tweede zijn er ook bij de leerlingen ingrijpende veranderingen opgetreden. De individualisering brengt met zich mee dat leerlingen niet alleen kansen en keuzevrijheid verlangen, maar ook `betekenis'. En dat is in deze tijd van veelzijdige prikkels niet eenvoudig. Dat het verlangen naar `betekenis' vaak nogal pragmatisch of opportunistisch wordt ingevuld door leerlingen, dat leerlingen zich gedragen als `toerist' of `consument', is hen nauwelijks kwalijk te nemen. Zij reageren op de sfeer die het bezuinigingsbeleid van de afgelopen jaren heeft opgeroepen. In die omstandigheden lijken zelfstandig leren en Studiehuis of Leerhuis haast een `deus ex machina', die het probleem van de te grote klassen en van het motivatietekort vanzelf zou oplossen. Dat was natuurlijk niet de bedoeling vernieuwing, en het zal deze problemen in de kla waarschijnlijk alleen maar groter maken.

Ten derde is er het probleem van de verdeling van leerlingenpopulaties over de verschillende scholen en schooltypen. Verdelingsproblemen bestaan ook in andere landen, maar in Nederland zijn ze heviger omdat we leerlingen op jonge leeftijd al selecteren voor een relatief sterk gedifferentieerd en hiërarchisch geordend stelsel van schooltypen en leerwegen. En nu de Nederlandse samenleving multi-etnisch is geworden wordt eens te meer zichtbaar gemaakt hoe sociaal en etnisch bepaald die selectie is en hoe weinig meritocratisch. De door de overheid gestimuleerde deregulering en marktwerking versterken deze segregatie. Marktwerking veronderstelt een formele gelijkwaardigheid van scholen - die er niet is - en ook een keuzevrijheid - die evenmin bestaat, in elk geval niet in het voortgezet onderwijs. De vroege selectie beperkt de keuzevrijheid, omdat leerlingen overwegend naar kleur en sociale achtergrond over schooltypen worden verdeeld. Die trend wordt nog eens versterkt doordat ouders meer zijn gaan letten op de populatie van een school dan op de kwaliteit van de leraren. Een witte populatie staat voor een goede kans op een Havo-VWO-diploma, een zwarte populatie wordt geassocieerd met Mavo of VBO, tegenwoordig samen in het VMBO. Deze formele vroegtijdige tweedeling in het onderwijs vormt de ultieme stap naar segregatie en maakt de selectie nog onverantwoorder dan die al was. De consequenties voor leraren zijn niet misselijk. Men beoordeelt hen niet zo zeer op hun professionaliteit, maar vooral op hun verbondenheid aan een bepaalde leerlingenpopulatie. En van hun idealen kan, vanwege die eenzijdige populaties, ook steeds minder terecht komen. Moeten leraren nu nog eerder en nog fijnmaziger gaan selecteren, terwijl zij - als ze goed zijn opgeleid - weten dat dit betwistbare en maatschappelijk onverantwoorde procedures zijn? Dit is voor veel leraren een zorg, die maatschappelijk genegeerd wordt. Dat er `zwarte' scholen zijn die deze barrières weten te overwinnen - en die zijn er - betekent niet dat je deze scholen als norm kan nemen, zoals staatssecretaris Adelmund doet. Dat is struisvogelpolitiek.

Het vierde probleem is dat de Nederlandse overheid als het om de publieke zaak gaat kennelijk graag voor een dubbeltje op de eerste rang zit. Ze geeft van alle welvarende OESO-landen het minst uit aan het onderwijs. Nederland heeft in vergelijking met andere landen nog steeds te grote klassen en te veel lesuren in een volledige betrekking. In haar grote zuinigheid heeft de overheid het probleem van het te voorziene lerarentekort steeds voor zich uitgeschoven en een voor publiek en politiek overtuigende analyse van de urgentie en het gewicht van de onderliggende problemen achterwege gelaten.

FAVORIET

Het moet anders. En volgens ons kan dat ook. Ten eerst is verbetering van de werkomstandigheden dringend nodig. De overheid kan daarbij niet volstaan met organisatorische maatregelen. Bijna nergens is de situatie zo nijpend als in Nederland. In Frankrijk staat het beroep leraar bij jongeren nummer 1 op de lijst van favoriete beroepen. Dat verschil in aantrekkelijkheid kan niet alleen verklaard worden uit de grotere werkloosheid onder Franse jongeren. Nederland geeft zo weinig geld uit aan onderwijs omdat `goed onderwijs voor allen' te weinig prioriteit krijgt. Het publiek is net als het onderwijs gesegmenteerd en gesegregeerd, en verdedigt deelbelangen, terwijl de overheid aan het dereguleren is geslagen. Daarom is het opgeven van de bevoegdheidseis zoals de AOB en Minister Hermans dat nu voorstellen zo'n slechte oplossing. Die zal de tweedeling in het onderwijs versterken. `Sterke' scholen (lees witte Havo-VWO-scholen) kunnen zich permitteren bevoegde leraren aan te nemen. Die willen op hun school wel werken. Het drama van de gewone zwarte school is uit te tekenen. Om dezelfde reden is het ook geen goed plan de verantwoordelijkheid voor de bevoegdheden volledig bij de scholen zelf te leggen. Scholen zijn heel goed in staat tot medeverantwoordelijkheid, maar, gegeven hun marktbelangen, nu juist niet tot de overstijgende, publieke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de opleiding van leraren.

In de tweede plaats moet er juist rekening worden gehouden met de toegenomen complexiteit van het beroep leraar. Juist nu is een goede opleiding noodzakelijk, en moet er een landelijk geldende bevoegdheidsregeling die die noodzaak bekrachtigt. De conclusie van de commissie Wijnen dat alle lerarenopleidingen moeten worden ondergebracht in academische centra (waarin scholen, hogescholen en universiteiten samenwerken) is dus een goed plan. De zwaarte en de complexiteit van het beroep worden zo onderkend. Lerarenopleidingen worden dan allemaal wetenschappelijke beroepsopleidingen die veel beter aansluiting vinden bij de internationale ontwikkelingen. Voorkomen wordt bovendien dat de tweedeling in het Nederlandse onderwijs ook nog eens samenvalt met een statusverschil tussen leraren.

Om in de allernijpendste tekorten te voorzien zou, onder twee belangrijke condities, ook het plan van minister Hermans om onbevoegde leraren voor de klas te zetten gevolgd kunnen worden. De eerste conditie is dat de aangetrokken HBO- of universitair afgestudeerden inderdaad direct een lerarenopleiding gaan volgen, maar dat deze scholing in werktijd plaatsvindt. De tweede conditie is dat er voor de zittende leraren, net als voor artsen een verplichte nascholing (met keuzevrijheid) in werktijd komt.

Met het oog op de lange termijn zou verder zo snel mogelijk de entree-eis voor de huidige tweedegraads lerarenopleidingen een VWO-diploma moeten worden. Alleen zo kunnen ook deze opleidingen zich ontwikkelen tot flexibele wetenschappelijke beroepsopleidingen die studenten om de goede redenen weten te lokken. Op deze manier is er tenminste het begin van een totaal-aanpak van het probleem. Onze voorstellen zijn niet budgetair neutraal. Die tijd is voorbij.

Sarah Blom en Geert ten Dam zijn respectievelijk universitair docent en rector/hoogleraar aan het Instituut voor de Lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam