Een onmiskenbaar talent voor naïveteit

at een schatje'', zei mijn vrouw toen ze over mijn schouder meekeek naar het televisie-interview met onze minister van Oorlog. En ze had gelijk. De kleine man met zijn grote bruine kijkers was aandoenlijk. Hij deed zo vreselijk zijn best zijn mond niet voorbij te praten en toch aardig te blijven onder het cynische gezanik en getrek van de interviewer, dat je als kijker steeds meer begon te hopen dat de jeugdige minister daar glansrijk in zou slagen. En dat deed hij gelukkig ook. Of er grondtroepen kwamen, of dat wel verstandig zou zijn, of er met de crimineel Miloševic nog wel onderhandeld kon worden, of de minister daar iets over kon zeggen, en, als hij daar niets over mocht zeggen, of hij er over nadacht, en, als hij dat ook al niet mocht, of hij er dan toch op z'n minst van wakker lag? Op al die vragen kregen we godzijdank geen antwoord.

Frank de Grave hield stand in Buitenhof, niet door hautain te zwijgen, maar door omstandig uit te leggen dat wat men in het Brusselse hoofdkwartier ook mocht besluiten, hij daar als minister de volle verantwoordelijkheid voor wilde dragen. In zijn ijver ons daarvan te overtuigen struikelde hij soms over zijn woorden.

Dat hij liever vandaag dan morgen een telefoontje uit Belgrado zou krijgen, moesten we van hem aannemen, want zoals ieder weldenkend mens vond ook hij de bombardementen een `ten diepste beschamend middel', maar in deze omstandigheden helaas, helaas, helaas het enige alternatief. Dat moest klip, klaar en duidelijk zijn.

Achgossie, hij meende het. Mijn vrouw en ik waren ontroerd. En, als ik voor mijzelf spreek, we waren ook helemaal om.

Ik denk dat dat kwam door de onmiskenbaar feminiene uitstraling van de minister. En dan bedoel ik niet zijn kleding – bruin pak met bronzen das – en ook niet zijn stemgeluid – net zo brons – maar wel de ontwapenende blik waarmee hij ons eerlijk en constructief aankijkt. Het feminiene schuilt bij De Grave vooral in de afwezigheid van dubbele bodems, verborgen agenda's en strategische spelletjes. Laten we zeggen in een onmiskenbaar talent voor naïveteit, dat in het geval van deze minister nog eens versterkt wordt door zijn praatlust en visueel ondersteund wordt door zijn jeugdig voorkomen. Dat laatste is puur genetisch toeval, maar desalniettemin van belang in een beroep waarin de televisie uiterlijkheden eindeloos uitvergroot en tot politieke handelswaar maakt.

Zo'n ontwapenende politicus benoemen als minister van Defensie is een meesterzet geweest. Want toen Paars-II geformeerd werd, moet Kok door Defensie gebriefed zijn over het te verwachten onheil rond Kosovo. Er is toen vast gevraagd uit te kijken naar iemand die met de grootst mogelijke oprechtheid de meest afschuwelijke ingrepen kon goedpraten. Met Joris Voorhoeve had Defensie zijn leergeld betaald. De nieuwe minister mocht daarom geen hoogleraar zijn, anders werd het goedpraten weer een afstandelijk verhaal en dus een groot probleem. Maar hij mocht ook niet teveel politicus zijn, want de generaals wilden wel zelf het beleid blijven bepalen. Emotie, enthousiasme, optimisme, ijver en niet teveel eigen ideeën, iets in die richting.

Misschien heeft toen iemand, laten we aanemen een zeer masculiene adviseur uit de omgeving van de premier, zich hardop afgevraagd of het niet eens tijd werd voor een vrouw op Defensie. Karin Adelmund bijvoorbeeld.

En zo werd het Frank de Grave. VVD'er en daarom acceptabel voor de hardliners binnen de krijgsmacht, man, idem dito, en toch een beetje vrouw, en daarom geschikt voor de onvermijdelijke slechtnieuwsgesprekken met de bevolking.

Zoals gezegd, ikzelf heb daar, nu het zover is, geen enkele moeite mee. Mevrouw Adelmund had ik ook prima gevonden. De manier waarop ze deze week onbevoegde leerkrachten voor de klas als `prik in de limonade' wist te verkopen, doet vermoeden dat zij met de NAVO-bombardementen ook wel raad geweten had.

In het algemeen luister ik graag naar feminiene gezagsdragers. Sinds Kok de scepter zwaait kom je ze steeds vaker tegen. Vrouwen en mannen in wie geen kwaad schuilt, die overlopen van geestdrift en overal een gat in zien. Ze houden de boel bij elkaar en trekken de kar.

Zonder uitzondering positivo's, maar wel serieuze positivo's. Serieus op een mooie, sociale manier. Geen principiële scherpslijpers, maar wel degelijk innerlijk bewogen. Hun inspiratiebronnen hangen ze niet aan de grote klok, maar uit alles wat ze zeggen en doen kun je opmaken dat deze heel zuiver moeten zijn. Waar de feminiene gezagsdrager in uitblinkt is dat hij bijna niet kwaad te krijgen is. Bijna, want ondanks al zijn sociale vaardigheden, blijft hij toch een zwakke plek houden: geen gevoel voor humor.

De geïnspireerde politicus moet niets hebben van grappen en grollen, hij is allergisch voor ironie en haat cynisme. Voor hem persoonlijk zijn dat moties van wantrouwen in al het goede dat hij met de samenleving voor heeft. Dit soort pessimisme kan en wil hij niet begrijpen.

Het is een klein gebrek, dat het optreden van de feminiene gezagdrager vaak tot een saaie zit maakt, maar waar we moeilijk bezwaar tegen kunnen maken. Zeker in oorlogstijd.

Nu zelfs onze nationale lolbroeken niet meer durven te lachen, zou één ironische knipoog van een bewindsman voldoende zijn om het fragiele bouwwerk van goede bedoelingen ineen te doen storten. Er zou geen vliegtuig meer opstijgen, er zou geen kar meer getrokken worden en er zou geen slechtnieuwsgesprek meer gevoerd kunnen worden.

Gelukkig hebben we Frank de Grave.