De surrogaat-Franco

De Britse minister Straw besloot deze week dat het uitleve- ringsproces van Pinochet aan Spanje mag voortgaan. Uitgerekend het land dat zijn eigen verleden onbesproken liet, heeft de jacht op de Chileense ex-dictator ingezet. En dat terwijl nooit één handlanger van de Franco-dictatuur voor de rechter kwam.

Gruwelen op het Spaanse Internet. Gonzalo Fernández de Córdoba, een 64-jarige Spaanse econoom, liet vorig jaar november via een e-mail weten dat het vakantietripje dat hij samen met zijn dochter maakte in noord-Chili een onverwachte wending had gekregen. ,,We worden vastgehouden'', zo schreef Fernández, ,,tot het House of Lords een beslissing heeft genomen over de uitlevering van zijne excellentie Don Augusto Pinochet.''

Twee dagen later bleek er evenwel geen sprake van een terroristische chantagepoging van vertwijfelde volgelingen van de Chileense ex-dictator. Na een rondtocht door het oerwoud doken vader en dochter nietsvermoedend weer op te midden van de algehele chaos van overspannen ambassadepersoneel, paniekerige gouverneurs en een zenuwachtige Chileense minister van Binnenlandse Zaken. De e-mail was een grapje, zo verklaarde de geschrokken Córdoba.

Weinigen zagen er de humor van in en dat is tekenend voor de zenuw die is blootgelegd door het Spaanse verzoek aan Groot-Brittannië om voormalig dictator Augusto Pinochet uit te leveren. Onder de duizenden slachtoffers die spoorloos verdwenen in de terreurmachine van Operatie Condor – het sinistere samenwerkingsverband dat Pinochets geheime dienst Dina opzette met broederorganisaties in Argentinië en omringende dictatoriale regimes – bevonden zich honderden Spanjaarden. Toch namen slechts weinigen het strafrechtelijke onderzoek serieus dat de Spaanse rechters van instructie Manuel García Castellon en Baltasar Garzón drie jaar geleden begonnen naar de misdaden van de militaire dictaturen in Chili (1973-1990) en Argentinië (1975-1983). Wat aanvankelijk leek op een windmolengevecht van twee progressieve, ambitieuze onderzoeksrechters kreeg evenwel steeds vastere vorm.

Honderden getuigen werden gehoord, onder wie de in Madrid woonachtige Argentijnse ex-presidente `Isabelita' Perón, de weduwe van Juan Perón. Eind 1997 had een eerste arrestatie plaats. De voormalige Argentijnse marine-kapitein Adolfo Scilingo, door spijt en drankzucht verteerd, meldde zich vrijwillig in Madrid om een ijzingwekkende getuigenis af te leggen. Hij had gezien hoe politieke tegenstanders van het regime met slaapmiddelen werden gedrogeerd en vervolgens uit vliegtuigen in de oceaan werden gedumpt.

Arrestatiebevelen en internationale opsporingsverzoeken werden opgesteld. De lijst werd aangevoerd door de leiders van de vroegere terreurregimes, de Argentijn Leopoldo Galtieri en de Chileen Augusto Pinochet. Het leek vergeefse moeite: wie van de ex-dictators zou immers zo stom zijn ooit een voet te zetten in een land dat mogelijk mee zou werken aan de uitlevering aan Spanje? En daarnaast: welk recht had Spanje eigenlijk om de vervolging ter hand te nemen?

Als bevangen door een duister voorgevoel, was Augusto Pinochet de enige van de ex-dictators die openlijk ten aanval ging. Waarom, zo mopperde de generaal, waarom moesten ze juist hem hebben. ,,Ze zouden die Spaanse rechters die zogenaamd progressief zijn, eens moeten vragen waarom ze geen rechtszaken openen tegen Fidel Castro en anderen uit de landen van achter het IJzeren Gordijn.'' Precies een jaar later, juist terwijl hij aan het praten was met Fidel Castro op de top van Ibero-Amerikaanse landen in Porto, hoorde de Spaanse premier Aznar het nieuws van Pinochets arrestatie.

Dat Pinochet zijn morele verontwaardiging richtte op de ongelijke behandeling van communistische collega-potentaten, tekent zijn obsessies. Maar als de ex-dictator de Spanjaarden met een persoonlijker dilemma had willen opzadelen, had hij beter de vraag kunnen stellen: waar haalt Spanje het morele recht vandaan dictators uit andere landen te vervolgen, terwijl er nooit één enkele rechtszaak is geweest tegen de leden van de voormalige Franco-dictatuur? En dat terwijl Spanje juist trots is op zijn Transitie, de vreedzame overgang naar de democratie waar het ontbreken van justitiële afrekening onlosmakelijk onderdeel van vormt. Een Transitie die Spanje altijd heeft gepresenteerd als politieke blauwdruk waar de Zuid-Amerikaanse landen een mooi voorbeeld aan konden nemen.

,,Pinochet is onze generalíssimo'', claimt Andrés Ortega. Als organisator van discussies in de Madrileense cultuursociëteit Bellas Artes analyseerde Ortega (44) het gevoel dat vooral heerst onder progressieve Spanjaarden die de Franco-tijd nog hebben meegemaakt: ,,Hij is onze generaal, onze dictator, omdat we Franco nooit hebben kunnen berechten. Daar zoeken we in zekere zin compensatie voor.'' Pinochet als morele kop van Jut.

Een artikel met gelijke strekking in het dagblad El País leverde Ortega een elektronische brievenbus vol reacties op, vooral van Chilenen. De helft instemmend, de andere helft kwaad en agressief. Waarom moest uitgerekend Spanje zich met de generaal bemoeien? ,,De Transitie in Spanje heeft inderdaad gefunctioneerd omdat er een pact was om het verleden te laten rusten'', erkent Ortega. ,,Maar een belangrijk verschil met Chili is dat onze Transitie goed afliep omdat Franco er niet meer was. In Chili bleef Pinochet als ex-dicator een rol spelen en raakte het proces verstoord. Het is alsof je in Cuba de overgang naar de democratie probeert te regelen terwijl Castro er nog is.''

Voor een generatie democratische Spanjaarden belichaamt Pinochet de angst voor een terugkeer naar de dictatuur. ,,Het effect van de staatsgreep in Chili in 1973 was enorm'', herinnert Ortega zich. ,,Het was een klap voor alle hoop die we in Spanje hadden dat er spoedig een einde zou komen aan de Franco-dictatuur.'' Toen de Caudillo eind 1975 eindelijk de geest gaf, kwam Pinochet naar Madrid om in vol ornaat zijn geestverwant de laatste eer te bewijzen. Vooral de witte mantel die de generaal droeg is Ortega levendig bij gebleven. Pinochet – snorretje, zonnebril, uitgedost in nazi-achtig operette-uniform – leek een kloon van Franco, een icoon van alles waar modern Spanje zich zo snel mogelijk van wilde verlossen.

Het kille praalgraf van Franco dat Pinochet in 1975 bezocht ligt in de Valle de los Caidos, de Vallei der gevallenen. Tot op de dag van vandaag is het een van de merkwaardigste attracties die een toerist bij Madrid kan bezoeken.

Bij helder weer kun je vanuit de hoofdstad duidelijk het kolossale kruis in de bergen zien liggen dat bovenop de laatste rustplaats is gezet. De Caudillo liet direct na de burgeroorlog de ondergrondse kathedraal uit het graniet van de bergen houwen. Hoogstpersoonlijk, zoals ooit Filips de Tweede bij het Escorial-paleis, hield de nieuwbakken dictator zich bezig met de bouw. Van het pompeuze exercitieplein voor de kathedraal tot de naargeestige wraakengelen met hun scherpe zwaarden die binnen de laatste resten bewaken: hier ligt Franco's smaak voorgoed in het graniet gehouwen.

Deze week ontploften er twee bommetjes die waren verstopt in een biechthokje in de kathedraal. De schade bleef beperkt tot een hoop rook en wat verbrande kerkbanken. Verbaasd, hier en daar licht geamuseerd werd het nieuws ontvangen. Een verzetje: zo vaak gebeurt het niet dat een Franco-monument een aanslag te verduren krijgt.

Spanje heeft immers al eerder afgerekend met zijn dictatoriale verleden: door het te verzwijgen. Het `pact van de stilte' van de Transitie berustte op een brede consensus om niet te gaan wroeten in de beerput van het Franco-regime. Niemand voelde er voor de Burgeroorlog nog eens dunnetjes over te doen. Vergiffenis hoefde niet verstrekt te worden, om de eenvoudige reden dat niemand de schuld kreeg.

Vierentwintig jaar na de dood van Franco zijn de meeste van de ministers, hoge militairen, rechters en andere gezagsdragers die hebben meegewerkt aan het regime dood of hoogbejaard. Bedacht moet worden dat het Franco-regime – nooit een voorbeeld van al te grote consistentie – in de loop van de jaren zestig zijn scherpste kantjes verloor. De werkelijke terreur met zijn massale executies, martelingen en verdwijningen dateert van de jaren direct na het beëindigen van de Spaanse Burgeroorlog in 1939.

Van de Franco-politici bekleedt alleen Don Manuel Fraga Iribarne (77) nog een positie van belang. Manuel Fraga is oprichter van de regerende Partido Popular, mentor van premier Aznar en president van de regio Galicië. Als minister van Informatie en Toerisme in de periode van 1962 tot 1969 gold hij als een van de vernieuwingsgezinden binnen het Franco-regime. De perswet die onder zijn verantwoordelijkheid in 1966 tot stand kwam, betekende een aanzienlijke versoepeling van de strakke censuur. Maar zwarte bladzijden uit de dictatuur als de bloederige repressie van een mijnstaking in 1962 en de executie van de communist Grimau een jaar later, heeft Fraga als minister publiekelijk verdedigd. Door tijdig het roer om te gooien en zich na de dood van Franco in te zetten voor de jonge democratie wist Manuel Fraga te overleven in de Spaanse politiek.

De Galicische regio-president wordt niet graag vergeleken met Pinochet. Een Zuid-Amerikaanse journaliste die hem recentelijk vroeg waarom hij eigenlijk nooit verantwoording had afgelegd voor zijn verleden, kon onmiddellijk vertrekken. ,,Die twee zijn ook niet te vergelijken'', meent Ortega. ,,Fraga is nooit rechtstreeks betrokken geweest bij ernstige wandaden.''

Natuurlijk zijn er nog restjes Franco in Spanje aan treffen. ,,Neem alleen al die pleinen en hoofdstraten die nog steeds heten naar de Generalíssimo'', zegt Ortega. In het noordelijke Santander werd kort geleden nog een voorstel tegengehouden om het centrale Francoplein om te dopen in het Plein van de Grondwet. De raadsleden van de Partido Popular stemden tegen. Maar veel meer dan wat echo's uit de vergeetput stelt het niet voor. ,,Je moet het verleden niet vergeten, maar de zaken in Spanje weer oprakelen is nutteloos'', meent Ortega.

En toch wringt het soms. Als Andrés Ortega vanuit Madrid naar het noorden rijdt, is er altijd weer dat reusachtige kruis dat zijn slagschaduw tegen de berghelling werpt. De Valle de los Caidos bezorgt hem nog altijd een ongemakkelijk gevoel. ,,Una verguenza, een schande, dat gebouw'', zegt hij. ,,Je weet dat het uit de rotsen is gehakt door de krijgsgevangenen uit het Republikeinse kamp. Telkens als ik er langs rijd, heb ik het gevoel dat er iets in Spanje nog altijd niet voorbij is.''

Vergiffenis hoeft niet, om de eenvoudige reden dat niemand schuld heeft

Welk recht heeft Spanje eigenlijk om de vervolging ter hand te nemen?