De eeuw van mijn moeder

Mijn moeder werd geboren in 1900. Eind vorig jaar stierf zij, onverwachts, net terwijl ik een week in het buitenland was; bijna had ik geschreven: toen ik even niet oplette. Ik had altijd gedacht dat zij de eeuwwisseling wel zou halen.

Maar afgezien van dat laatste jaar: het bijzondere van mijn moeders leven is dat zij de hele 20ste eeuw heeft meegemaakt; alle grote omwentelingen, veranderingen en vernieuwingen van de nieuwe tijd hebben zich tijdens haar leven afgespeeld. Van allerlei dingen waar wij dagelijks mee te maken hebben bestond toen zij ter wereld kwam nog niets: geen vliegtuigen, geen radio, geen film, geen televisie, geen gemengd zwemmen, geen Teddyberen en geen ouderdomspensioen.

Zij heeft de eerste auto's meegemaakt, de eerste grammofoons, de eerste stomme films en ook de eerste sprekende films, de eerste telefoongesprekken met Nederland vanuit Indië, de eerste stofzuigers en de eerste mensen op de maan.

Zij beleefde twee wereldoorlogen, drieëneenhalfjaar Japanse internering, raakte al haar bezittingen kwijt en leefde daarna nog ruim een halve eeuw. Ook heeft zij allerlei dingen die in haar jeugd gangbaar waren zien verdwijnen, zoals huispersoneel, stoomtreinen en trapnaaimachines; paarden beheersten in haar jeugd het stadsbeeld, en er waren zes postbestellingen en zes buslichtingen per dag.

Over al deze dingen zijn boekdelen te schrijven. De 20ste eeuw was letterlijk en figuurlijk mijn moeders eeuw, alles wat er in gebeurde was om zo te zeggen haar lot en ze onderging het met een soort duldzaamheid, alsof er toch niets tegen te beginnen was en nu eenmaal gedragen moest worden. Over haar vroege jeugd weet ik niet veel; bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was zij op een kostschool in Engeland en moest halsoverkop naar Holland. Zij had in 1910 de komeet van Halley gezien en ze had in de eerste auto's gereden; een andere vroege belevenis waar zij met geestdrift over sprak was de aviatiek. Als kind al leerde ik van haar de namen van Jan Wijnmalen en Jan Olieslagers kennen, plus een liedje dat in haar jeugd populair geweest moet zijn: Als Olieslagers dood is/Dan krijgen wij misschien/De helft van zijn centen/En ook zijn vliegmachien.

Er is het verhaal van haar luchtdoop, die kort na de Wapenstilstand moet hebben plaatsgevonden, toen ex-oorlogsvliegers naar Nederland kwamen om hun kunsten te vertonen. Deze luchtdoop vond plaats in een militaire tweedekker, met twee plaatsen achter elkaar, waarvan blijkbaar niet de voorste maar de achterste de plaats van de piloot was, want mijn moeder kwam voorin te zitten. Er werden allerlei cabriolen gemaakt en op een zeker moment speelde de `aviateur' dat hij flauwgevallen of dood was en liet zich scheef uit het vliegtuig hangen, waarop mijn moeder in paniek aan zijn `vliegenierskap' moet hebben getrokken. Over de sensatie van het vliegen zelf vertelde zij niets dat ik mij kan herinneren; een detail dat indruk op haar maakte (en zo ook op mij) was dat de spandraden van de vleugels een soort kooi vormden waarin de monteur, om te controleren of er nergens iets ontbrak, een eend losliet. Als er geen spandraden gebroken waren kon de eend er niet uit.

Als dit iets illustreert is het hoe mijn moeder meer gepreoccupeerd was met dieren dan met technische vernieuwingen, die haar niet overmatig leken te verbazen. Verhalen over geworstel met de onbegrijpelijkheid of onmenselijkheid van de techniek, zoals nu wel over die tijd worden verteld, passen totaal niet in het beeld, die horen meer thuis in de eeuw ervóór. De techniek behoorde wonderlijke nieuwe dingen voort te brengen, dat moest, daar was zij voor. Een voorbeeld van iets dat bij haar wel emoties opriep (en hevig) was het lot van de `pit poneys', de paarden in de mijnen. In mijn moeders jeugd werden in de kolenmijnen nog paarden gebruikt; ik hoor nog haar stem over `de arme mijnpaarden, die naar beneden gaan en die nooit meer het daglicht zullen zien'.Het is als met zoveel, je kunt je er eigenlijk geen voorstelling van maken. Niet the rich, maar the past is different. Al die paarden overal, niet alleen op het land maar vooral in de steden, die al vroeg in de eeuw uit het beeld begonnen te verdwijnen. Ik herinner me een zinsnede die ik moet hebben opgevangen, over een theater in Amsterdam dat (lang voor mijn geboorte) moet zijn afgebrand, en waarvan de voorstellingen `werden voortgezet in de voormalige stallen van de Posterijen', die zich ergens in de binnenstad bevonden en die blijkbaar kort daarvoor leeg waren komen te staan. Zo moeten er, overal in de steden, honderden geweest zijn. De aanleiding van hun geruisloze verdwijning, de opkomst van het motorverkeer, is als een dagelijkse gast aan tafel die nooit door iemand wordt genoemd.

Het herinnert aan de jaren '80, toen opeens overal nieuwe bankfilialen werden geopend: hoe je je niet kon herinneren wat er daarvóór in het gebouw gevestigd was geweest – jarenlang kwam je er elke dag langs, van de ene dag op de andere verdwijnt het en meteen weet niemand meer wat er daarvóór was. Een voorbeeld van iets dat je ook nooit hoort is dat er jarenlang wel al auto's waren, maar nog geen ruitenwissers. Zo moet het geweest zijn toen in 1920 mijn moeder getrouwd met mijn vader in Indië aankwam en er meteen een eigen auto was.Er waren toen al veel auto's in Indië, eerder dan in Holland, maar electrische starters, ruitenwissers en bumpers waren er nog niet. Daar heb ik mijn ouders nooit over gehoord. Mijn moeder reed ook niet zelf, er was een `sopir' die kwam voorrijden als ze `Amat! pasang!' riep. Soms kwam Amat voorrijden voor niets: dan was het de beo die geroepen had.

Over de hele wereld moet het leven aan het begin van de eeuw nog onvoorstelbaar primitief zijn geweest, wat betreft sanitaire voorzieningen bijvoorbeeld, en verlichting, afwezigheid van; maar dat was `gewoon' en dus onzichtbaar. Zelf heb ik dat als kind in Indië ook nog meegemaakt: we hadden geen waterleiding en geen electrisch licht. De nacht was een eigen wereld van diepe duisternis - achteraf van onuitsprelijke schoonheid, maar toen onopgemerkt, ervaren als `gewoon'. En dan is het voorbij en het is of het nooit heeft bestaan.

Zo was er ook bijvoorbeeld veel meer transport over water. Over heel Nederland bestonden honderden stoombootverbindingen; voor ontelbare mensen moeten dat gewone dagelijkse belevenissen zijn geweest: het wachten op de kade, het aan boord gaan, de geur van de machines, het glimmende koper, het vertreksignaal met de stoomfluit, het rinkelen van de telegraafbel en het bruisen van het boegwater bij het loskomen van de kade. En allerlei gangbare incidenten, het neerhalen van de schoorsteen onder een brug, aanvaringen, kabel in de schroef, ontmoetingen, liefdesverklaringen aan de railing. Allemaal weg, spoorloos, of het nooit bestaan heeft; over hoe die bootverbindingen zijn verdwenen hoor of lees je nooit iets. Wat er nog van over was heeft geloof ik de oorlog niet overleefd.

Zo heeft mijn moeder in haar leven ook nog de verdwijning van de stoomtreinen meegemaakt, en van de restauratiewagens waar je at en bediend werd als een vorst. De mailboten tussen Indië en Holland, de treinreizen van en naar Genua en Marseille – in de eerste helft van haar leven moet dat een onvoorstelbare belevenis zijn geweest. Zo bestond er een net van lijnen over de hele wereld, die tot in de jaren '50 van onze eeuw hebben gefunctioneerd en waar een speciaal gevoel aan verbonden was waar ik soms nog een vlaag van kan meevoelen. Mijn moeder moet dat traject Indië-Holland zeker zes, zeven keer hebben afgelegd, allemaal behalve de laatste in die ongelofelijke pracht en luxe die niet meer bestaan en waarvan een hedendaags cruise-ship niet meer dan een caricatuur is.

O, de lelijkheid die zich in de tweede helft van mijn moeders eeuw van alles heeft meester gemaakt – nou ja, om eerlijk te zijn, ik maak mij er drukker om dan zij deed; soms denk ik dat zij van alles waar zij om gaf in die tweede helft van haar leven eigenlijk al afstand had gedaan.

Afstand van wat? Ik denk van Indië, Indonesië. Van haar leven daar, haar dieren, haar relatie met de natuur, de ochtenden, de huizen, de bergen, de meren, alles. Het was een wereld die verdween en zij kwam in een totaal andere werkelijkheid terecht. Ik vermoed dat van alle grote, werkelijk wereldschokkende gebeurtenissen van de 20ste eeuw die zij heeft meegemaakt, zoals de praal en val van het wereldcommunisme of het verval van de grote religies, eigenlijk alleen de ondergang van de koloniale wereld voor haar een grote persoonlijke betekenis heeft gehad. Het was, zo denk ik soms, met alle vertakkingen en gevolgen misschien ook objectief wel het grootste drama van onze eeuw, maar het was zeker haar persoonlijke tragedie.

Het is niet goed voorstelbaar dat mijn moeder na de repatriëring nog meer dan vijftig jaar in Nederland heeft geleefd, langer dan de tijd die zij in Indië heeft doorgebracht. Maar het telde niet meer, ze sprak er ook niet met anderen over; die tweede periode was dan wel langer, maar hij duurde toch veel korter. Ook vroeger zei men het al: Indische jaren tellen dubbel.

De 20ste eeuw was de eeuw van mijn moeder, maar hoe zag ze hem zelf? Vaak, vooral tegen het eind van haar leven, heb ik mij verdiept in hoe zij al die dingen had beleefd en ondergaan. Hoe beschouwde zij de wereld? Wat zou ik er, als ik door haar ogen had kunnen kijken, van herkennen? Ik denk wel eens dat ik graag jong geweest zou zijn in de tijd dat mijn ouders dat waren: in de jaren twintig, in een wereld waarin bijna alle nieuwe dingen al wel bestonden, maar nog zonder de nadelen en met het ouderwetse comfort en de luxe die toen nog niet verdwenen waren – en er ook de middelen voor hebben. Zeker is dat mijn ouders er geen gulzig gebruik van hebben gemaakt: inplaats van met hun groot verlof naar China te gaan, naar Amerika met de China Clipper, of rond te boemelen langs de Riviera die toen nog genietbaar was, gingen ze naar Holland en huurden een huisje in Baarn. Zo was nu eenmaal hun levensopvatting: zuinig zijn, sparen! Ze kochten geen kunst, geen Hispano; alleen boeken, dat tenminste nog wel; maar van alles wat haar eigen eeuw te bieden had heeft mijn moeder maar weinig geproefd. Had zij enige notie van het beleven van de eeuw, geloofde zij in de geschiedenis, de beschaving, de vooruitgang? Ik denk het niet. Ze onderging, zoals de meeste mensen, abstracte denkbeelden in de vorm van modes en sprookjes. De wereld veranderde, dat er een keer mensen op de maan zouden lopen paste in haar verwachtingspatroon.

Wat er daarentegen totaal niet in paste waren veranderingen op zedelijk gebied. De seksuele bevrijding, zo'n optocht van homo's door de stad om maar iets te noemen, daar begreep ze niets van, het vervulde haar – ook dat is een onderdeel van haar visie op de eeuw – met verontwaardiging en afkeer. In boeken, dat kon nog, maar niet in 't echt. Zij las veel, tot een paar jaar geleden nog een paar boeken per week. Niet mijn boeken (daarvan heeft zij er geloof ik nooit één gelezen). Een lievelingsboek dat zij op 96jarige leeftijd nog in een grote letter-editie heeft herlezen was Schoolidyllen van Top Naeff. Ze las geen essays en geen poëzie, maar uitsluitend romans: `geboren vertellers', niet alleen Somerset Maugham en P.G.Wodehouse maar ook Maarten 't Hart en Gerard Reve – totdat de achteruitgang van haar ogen haar het lezen definitief onmogelijk maakte. Dat gebeurde niet zonder protest en wanhoop.

Het Opperwezen, met deze kwellerij niet tevreden, zorgde er voor dat nog iets anders waar zij van hield haar niet meer kon bereiken: muziek.

Aan het eind van haar leven was mijn moeder vrijwel totaal doof. Het luisteren naar muziek is dan iets dat al in een tamelijk vroeg stadium overboord gaat: met gehoorapparaten wordt niet veel naar muziek geluisterd; aan de andere kant kwam het misschien ook door de samenhang tussen de muziek waar mijn moeder van hield en de wereld van haar jeugd. Je zou kunnen zeggen dat het gebied van haar voorliefde samenvalt met het tijdperk van de 78-toerenplaat. Vooral met amusementsmuziek: haar belangstelling hield op bij de late jaren '40 of uiterlijk begin jaren '50.

De muziek uit haar jeugd werd niet meer gespeeld, de zangers van wie zij hield zongen niet meer. Wat voor haar een hoogtepunt geweest moet zijn ligt ergens lang, lang geleden, in de Eerste Wereldoorlog, toen de Engelse militairen die in Nederland in kampen zaten onder de naam `Timbertown' een soort revue of cabaret in elkaar hadden gezet. Het is mogelijk dat zij, omdat zij Engels sprak, iets met de organisatie van die kampen te maken heeft gehad; in elk geval had zij niet één uitvoering gemist en zij kende het hele repertoire uit haar hoofd.

Ik hoor haar ze nog zingen, die melodieën van zo lang geleden, met dat refrein `Here in Timbertown'. Ik zie dan mijn moeder als meisje van 17 of 18, begaan met de mijnpaarden, de eeuw die nog moest beginnen, die hele verschrikkelijke eeuw die alles zou veranderen; alles moest nog gebeuren: een heel leven, dat eindigde op 13 September 1998.

Rudy Kousbroek is essayist.