De Bijenkorf

Als het rijk het Amsterdamse voorstel aanneemt komt de Amsterdamse Bijenkorf op de Rijksmonumentenlijst. Dat had allang moeten gebeuren. Je hoeft je niet eens af te vragen of de Bijenkorf een voorbeeld van `mooie architectuur' is. Het gaat in de eerste plaats om iets anders. De Bijenkorf hoort tot de eigendommen van de stad en haar generaties.

Wat dit aangaat kan ik over de Amsterdamse pas later meepraten omdat ik ben opgegroeid met de Rotterdamse, vooral het gebouw van Dudok dat zeker ook op de monumentenlijst zou staan als het niet door de Luftwaffe was gebombardeerd. Sta er even bij stil: de Bijenkorf is wel het allerlaatste doel dat je met een bom zou willen raken. Het is gebeurd. Later is het weer half opgebouwd en na de oorlog door de schepping van Breuer vervangen.

De vooroorlogse ken ik beter omdat mijn moeder mij meenam, voor ik door de leerplicht werd getroffen. Het best bevielen me de afdelingen van de vloerkleden en de bedden, en de roltrappen. In de rest van het warenhuis werd er min of meer gedrongen maar vooral bij de tapijten had je de ruimte. Het rook er ook vrediger, een beetje stoffig. Mijn moeder begreep het. Ik kan me niet herinneren dat ze daar ooit een vloerkleed heeft gekocht, maar we bleven lang op de tapijtafdeling, en dan, als het zomer was, gingen we naar de daktuin. Daar was een groen en geel betegelde vijver met goudvissen. Met de lift weer naar beneden, en dan met de bus naar huis. De Bijenkorf was een begrip; de Bijenkorf maakte me tevreden. Dat moet nog vóór 1933 zijn geweest.

Een poosje na de oorlog verhuisde ik naar Amsterdam. Het heeft me een paar jaar gekost voor ik aan het uiterlijk van de Bijenkorf hier gewend was geraakt. Alleen op de afdeling tapijten voelde ik me meteen thuis. De schrijfwaren kostten niet veel moeite, ik merkte dat ik me hoe langer hoe meer voor de koffers begon te interesseren, maar op de stoffen bijvoorbeeld heb ik me altijd een vluchteling gevoeld. Een goede vriend vertrouwde me toe dat hij op weg naar andere afdelingen zo snel mogelijk langs de parfumerieën liep, bang als hij was om verliefd te worden.

Op `het warenhuis' – de instelling, of die nu Macy's, Printemps, Gum of Harrod's heet – heeft iedereen zijn eigen reacties. Je hebt mensen die er ziek worden van het klimaat, of die spierpijn krijgen van de warenhuisdrentel. Dat is een minderheid. Zola heeft een roman geschreven over de intriges achter de schermen van het warenhuis. Dit boek heet Au bonheur des dames, en daarmee is het geniaal samengevat. Ieder warenhuis zou zo kunnen heten.

De Amsterdamse Bijenkorf, gebouwd tussen 1911 en 1913, is van J.A.van Straaten. Ook wie het gebouw niet in alle opzichten even mooi vindt, zal moeten toegeven dat het een voor Amsterdam onvervreemdbaar bolwerk is. Een jaar of tien of twintig geleden is er sprake van geweest dat het warenhuis uit het centrum zou verhuizen naar een ander stadsdeel. Zou dit zijn gebeurd, dan was het centrum verloren geweest, reddeloos prijsgegeven aan de allerhande flauwekul, de souvenirshopjes, patatkramen, speelhallen, porno, het hoerendom, enz. dat langzaam maar zeker, onder de leuze Amsterdam heeft 't de omgeving veroverde. Het belooft nu weer wat beter te gaan. Althans, er zijn plannen om het gebied van de Dam te herstellen. Dat dit nog kan, is voor een groot deel aan het blijven van de Bijenkorf te danken: het reduit in een belegering die dit deel van de binnenstad noodlottig leek te worden. Hierna de rest nog.

En nu we het toch over de Rijksmonumentenlijst hebben: mij lijkt het een goed idee om ook het Victoria Hotel (waarvan de entree intussen al een wisselkantoortje is geworden), de Bonneterie, Metz in de Leidsestraat en het Hirschgebouw op het Leidseplein er ook op te zetten. Toen dit alles werd gebouwd zal het de verhoudingen hebben ontwricht (zoals een deskundige me verzekerde), maar nu ze er eenmaal staan, en zo lang al, zijn ze even onvervreemdbaar als de Bijenkorf geworden: binnen de Amsterdamse verhoudingen ook grootsteedse bolwerken tegen het soort van toerisme dat hier nog wel voor modern kosmopolitisme wordt aangezien.

In ieder geval: de Bijenkorf blijft.

Nu iets anders. Vorige week heb ik het mooie verhaal over de vlecht, de kam, de horlogeketting en het horloge, The Gift of the Magi, toegeschreven aan Henry James. De auteur is O. Henry, pseudoniem van William Sydney Porter. Op het onderwerp – hoe uit één gebeurtenis drie verhalen kunnen groeien – kom ik terug. Nu al dank ik de lezers die mij dergelijke `verhaalsystemen' hebben gestuurd.