Boomvarenkoorts

Toen ik naar een kwekerij ging om wat gewone Europese winterharde planten te kopen riep een vriendin: `O, daar heb ik mijn boomvaren gekocht!' Meer was niet nodig: in de auto op de heenweg deed ik of ik het voor en tegen overwoog, maar ik wist al wat de conclusie zou zijn – en ongeacht de prijs, al zijn boomvarens niet goedkoop. Het werd een vrij klein exemplaar, staande op een plek die ik niet kon missen; ik denk dat ik hem gekocht zou hebben wat de kweker mij ook verteld had.

Het is een zachte boomvaren, Dicksonia antarctica, genoemd naar James Dickson (1738-1822), een Engelse botanicus en kweker, en afkomstig uit Tasmanië. Op zijn stam zit een etiket gespijkerd dat ik nog niet weg heb durven halen, er staat op, nauwelijks leesbaar: Department of Conservation & Environment/ Flora and ..?.. Guarantee/ 1988'. De oorspronkelijke aanstichtster, om haar zo maar te noemen, vertelde mij dat bij haar boomvaren twee roestige spijkers in de stam zitten, vermoedelijk ook afkomstig van zo'n etiket, en ook zij voelt er niet voor ze weg te halen.

Varens zijn nu op hun allerbest, over de hele tuin komen ze op. Het mooist om te zien zijn de bladveren die nog opgerold zijn in een nauwe spiraal; dan zijn er de wat verder gevorderden waarvan de top van de bladveer naar achteren hangt, als iemand die achteroverleunt op een schommel. Elke dag ga ik ze bekijken, maar zonder enige twijfel is de boomvaren de mooiste van allemaal. Drie bladveren zijn bezig uit te komen; de grootste is nu zowat tien centimeter en eindelijk van een afstand te zien. Ze zitten verpakt in een bronskleurig, fluwelig dons, dat maakt of er voortdurend zonlicht op valt; maar dat zal later verdwijnen, geen van de volwassen bladveren heeft het.

Ik ken mensen met boomvarens in Dublin en ik heb gelezen over exemplaren in Cornwall, maar ik heb nooit gedacht dat ze hier in Nederland konden gedijen. Twee factoren maken dat mogelijk, de ene is ze in een pot te kweken en binnenshuis te laten overwinteren, de andere het feit dat de boomvarens die nu geïmporteerd worden aanzienlijk winterharder zijn dan de eerste die in Europa aankwamen. Dezer dagen komen ze uit Tasmanië, waar het behoorlijk koud kan worden; oudere exemplaren, zoals die in de varentuin in Tatton Park in Cheshire (er stond een artikel over in The Garden van October 1998), werden geïmporteerd uit Nieuw Zeeland in de jaren 1860 en '70, en die zijn veel minder wintervast. Er komen ook boomvarens uit New South Wales, en ook deze hebben de reputatie minder winterhard te zijn dan de Tasmaanse soort.

De mijne kan zelfs één nacht van tamelijk strenge vorst verdragen, zo werd mij verteld, maar niet een paar dagen achter elkaar. Als je ze 's winters buiten laat staan moet je ze beschermen met isolatiestof, iets als stro of polystyreen. Ik heb het op de televisie zien doen; je kunt je tuin, besprenkeld met spookachtige vormen, gewikkeld in isolatiemateriaal, er zeer opmerkelijk mee doen uitzien. Maar de mijne zullen mee naar binnen gaan met de laurier en de geraniums, in het lichte en vorstvrije zomerhuis.

Het boomgedeelte van de boomvaren, de stam – want verder ziet hij er uit als een gewone varen die toevallig uit een boomstam groeit – bestaat in feite uit de overblijfselen van oude bladveren, met een dicht harig breiwerk er omheen. Wanneer de bladveren afsterven knip je ze bij, waardoor de stam steeds langer wordt, herinnerend aan kurkebreien, waar je bovenaan werkt en het resultaat, langer en langer, onderaan tevoorschijnkomt.

De boomvaren – er zijn nog andere soorten, meer Dicksonia's Cyathea's en nog andere, bij elkaar zo'n zevenhonderd soorten, maar Dicksonia antarctica schijnt de meest wintervaste te zijn – heeft schaduw en veel water nodig, en beveiliging tegen wind. 'sZomers mag zij een enkele keer een zwakke oplossing van vloeibare plantenvoeding hebben, maar, zo waarschuwt een van de boeken, `pas gekochte of verpotte planten gedurende 6 maanden niet bemesten' (het irritante van zulke bevelen is dat er nooit bijgezegd wordt waarom). Niet dat ze vaak verpot hoeven te worden, dat hoeft alleen maar te gebeuren `wanneer de wortels elkaar verdringen'.

Afgaande op wat ik erover heb gelezen schijnt de boomvaren een nogal eigenaardige relatie te onderhouden met de grond, iets als iemand die alleen maar enkels heeft en geen voeten. Wanneer boomvarens uit Tasmanië arriveren hebben ze, zoals Tim Smit beschrijft in zijn boek over het restaureren van de tuinen van Heligan, de gedaante van alleen maar stammen, zonder bladeren of wortels (slechts versierd, mag je aannemen, door hun etiketten); hun wortels verschijnen twee à drie maanden na gepot te zijn. Zelfs nu moet ik de mijne van bovenaf water geven – alsof je een dier voedert, zoals de aanstichtster opmerkte – en als ze volwassen zijn dienen hun stammen evenveel als hun wortelstelsel om voedingsstoffen en water op te nemen. Dat betekent dat je op warme dagen de stam met de tuinslang moet besproeien (de boomvaren zal vrees ik een eigen bladzijde nodig hebben in de huisinstructies voor als we weg zijn).

De boomvarenkoorts is als een geheime hartstocht, alleen maar er onder te houden door voortdurend meer waarnemingen, in werkelijkheid of in boeken; de planten zijn zo fabelachtig dat ze zelfs in zwartwit fotokopieën nog bevredigen. Het vergaren van informatie is een onuitputtelijke bron van vreugde. Een advies dat ik tegenkwam was dat je, in de herfst, de bladveren en wortels moet verwijderen en de stammen moet neerleggen op een vorstvrije plaats, zoals een garage, hetgeen ondragelijke beelden oproept van auto's die over de nietsvermoedende stammetjes heen geparkeerd worden. Een ander advies, het opmerkelijkste, is dat je, wanneer je boomvaren te groot wordt, hem gewoon opgraaft, het onderstuk van de stam afzaagt en hem weer plant. Maar iemand die zich er zelfs niet toe kan brengen een etiket te verwijderen zie ik dat niet gauw doen.