Bonden boos op justitie

De militaire bonden zijn woedend. Twee medewerkers van de luchtmacht moeten zich voor de rechter verantwoorden voor hun aandeel in de ramp met de Hercules op vliegveld Eindhoven in 1996.

Bijna drie jaar na dato roept de ramp met het Belgische Hercules-vliegtuig op de vliegbasis Eindhoven voor de meeste betrokkenen nog altijd veel vragen op. De Algemene Federatie van Militair Personeel (AFMP) en de Nederlandse Officieren Vereniging (NOV) willen daarom een ,,hernieuwd en onafhankelijk onderzoek naar de alarmering en hulpverlening na de ramp''. Als het moet door middel van een parlementaire enquête, vindt voorzitter B. Snoep van de AFMP.

De bonden hebben sterk het idee dat er in de verschillende onderzoeken tot nu toe veel te weinig is gezocht naar de `waarheid'. Dat de rechtbank in Arnhem gisteren bepaalde dat justitie twee betrokken luchtmachtofficieren strafrechtelijk mag vervolgen voor hun aandeel in de ramp, is voor de bonden een teken aan de wand. De twee militairen, de indertijd dienstdoend brandweercommandant en de verkeersleider, krijgen ten onrechte de `zwarte piet' toegespeeld, aldus Snoep. Hij vraagt zich af waarom juist het ,,organisatorisch falen'' na de ramp niet getoetst is in een gerechtelijk vooronderzoek.

De ramp met de Hercules C130 van de Belgische luchtmacht vond plaats op 15 juli 1996. Het vliegtuig, met aan boord enkele tientallen leden van het fanfarekorps van de Koninklijke Landmacht, kwam terug uit het Italiaanse Villafranca, waar het korps zijn medewerking had verleend aan een muziekconcours. Het vliegtuig kwam twintig minuten te vroeg aan en belandde boven de landingsbaan in een zwerm vogels. De piloot trachtte vergeefs nog een doorstart te maken. Twee van de motoren vielen uit, waarna het vliegtuig neerstortte. Normaal gesproken worden de vogels weggejaagd door een zogeheten vogelman, maar die was dit keer, door een misverstand niet in actie gekomen.

Vierendertig van de 41 inzittenden kwamen - op de grond - door verstikking om het leven. De hulpverleners bleken niet op de hoogte dat het aantal passagiers. Justitie verwijt de verkeersleider dat hij het aantal passagiers niet heeft doorgegeven. De brandweercommandant, aldus het openbaar ministerie, heeft zich te veel gericht op het blussen van de brand en te weinig op het redden van de inzittenden. Later is vastgesteld dat alle passagiers en ook de bemanning direct na de ramp nog in leven waren. Een zuurstofbrand leidde in combinatie met afgesloten, verwrongen deuren tot verstikking.

Nieuw onderzoek zal volgens de bond bijvoorbeeld duidelijk maken dat de brandweer van hogerhand te horen heeft gekregen zich in dergelijke gevallen juist te richten op het bestrijden van de brand - waarmee ook de leiding verantwoordelijk wordt, aldus de AFMP. Het vooronderzoek leidde bij het OM tot de conclusie dat de vliegbasiscommandant zich niet voor de rechter hoeft te verantwoorden. Tegen dat besluit is inmiddels officieel bezwaar aangetekend door nabestaanden van de slachtoffers.

De militaire vakbonden zijn niet te spreken over de onderzoeken die naar de ramp zijn gedaan. De officiële eindrapportage van april 1997 wordt door Snoep afgedaan als ,,op sommige cruciale punten onjuist, onvolledig en subjectief''.

In het rapport wordt geconcludeerd dat ,,een onmogelijke combinatie van natuurlijke, technische, menselijke en organisatorische factoren leidde tot dit ongeval''. ,,Het rapport is gebaseerd op persoonlijke opvattingen en observaties. Hoewel er bandopnamen zijn gemaakt van de vele gesprekken, is daarvan nooit enige transcriptie aan de gehoorde personen voorgelegd ter ondertekening.''

Het door de bonden verlangde onderzoek moet onder andere duidelijkheid verschaffen over de rol van de gemeente Eindhoven, het ministerie van Binnenlandse Zaken en de Belgische luchtmacht, wier piloten de Hercules bestuurden. ,,Ze hebben waarschijnlijk een noodlottige beoordelingsfout gemaakt en waren in het geheel niet geoefend in het redden van de eigen passagiers'', aldus Snoep. ,,Alle verantwoordelijkheden moeten op een juiste wijze en in de juiste samenhang in kaart worden gebracht, zodat een soortgelijke ramp zich niet herhaalt op vliegveld X, station Y of in haven Z.''

Destijds hebben diverse onderzoekers vooral kritiek geuit op het feit dat de hulpverlening zich pas twintig minuten na de ramp richtte op het redden van de inzittenden.