Blootsvoets op de green

Op golfbanen in Europa is de caddie een bijzonderheid geworden. In de post-koloniale klassenmaatschappij van de Derde Wereld is hij een normale verschijning. In Harare verdringen zich dagelijks drieduizend, meest jonge dagloners voor een paar uur stokken dragen en ballen rapen.

Maar boss, kunt u me dan wat geld geven? Ik heb honger als een kerkrat

Golfen in Zimbabwe is goedkoop, zeker vergeleken met Europa

Op een straathoek van Gun Hill, een aangeharkte buitenwijk van Harare, hangen zo'n tien rafelige jongemannen rond. Ze soezen barrevoets in het gras, doden de tijd door met kroonkurken te dammen op een kartonnen bord. Als opeens een fonkelblauwe Mercedes voorbijzoeft, ontwaken ze uit hun sluimer en kijken ze hoopvol op. Een van hen zwaait alsof hij een bekende groet. Er volgt geen groet terug. Wanneer de auto het parkeerterrein van de Police Golfclub indraait, rennen een paar mannen er druk gebarend achteraan.

Jimmy Lundu en Noel Chiripayi, twee kloeke twintigers, houden samen met de kreupele Walter Murowe (50) halt bij de ingang van de parkeerplaats. Verder mogen ze niet. ,,Neem mij sir, u kent me nog wel'', roepen ze door elkaar. Maar helaas, de Mercedesrijder vist een karretje uit de kofferbak en maakt een afwerend gebaar. De mannen begrijpen dat ze niet nodig zijn. ,,Maar boss'', roept Noel, ,,kunt u me dan wat geld geven? Ik heb honger als een kerkrat.'' De man, een oudere witte Zimbabweaan in een korte broek en wollen beige kniekousen, haalt zijn schouders op, en schuifelt na zijn grote tas vol peperdure Ping-clubs op zijn golfkarretje te hebben gebonden naar de teebox van de eerste hole.

Jimmy kijkt op zijn horloge. Bijna half vijf, de schaduwen worden al langer. De kans dat er nog iemand komt om een balletje te slaan, is klein. Over negen holes doet een speler anderhalf uur, om zes uur is het donker. Dat betekent dat caddie Jimmy vandaag geen golftas zal dragen en dus dat hij straks geen geld heeft voor de bus terug naar zijn township twintig kilometer verderop. Hij kijkt de oude Walter met zijn bruine gebreide muts smekend aan. ,,Sorry maat'', zegt die met een verontschuldigend gebaar. ,,Zelfde schuitje.''

Bij Wingate Park Club, iets ten noorden van Harare, soortgelijke taferelen. Wie zijn auto parkeert tussen de grote fourwheeldrives en glimmende bolides hoort uit de verte kreten slaken. ,,Weet u nog, baas, ik ben het, Jonathan.'' ,,Nee, master, neem mij, Lovemore.'' Hier komen de jongens niet achter de parkeerders aanstuiven. Ze worden op Wingate achter een hek gehouden. Daar roepen, grommen en gebaren ze net zo lang en heftig tot ze worden opgemerkt. Het is de bedoeling dat de spelers, eenmaal binnen, aan de caddiemaster zeggen wie ze als tassendrager willen hebben. Pas dan wordt de caddie losgelaten. De jongens kunnen er slechts door een tourniquet uit, die de caddiemaster moet ontgrendelen. Ze staan zo te dringen dat de voorste bijna in mootjes wordt gesneden door de dwarsbalken van de stalen draaideur. Als hij zich opzij wringt om ruimte te maken voor een caddie die vandaag wel geluk heeft, perst hij er nog net een verzoek uit: ,,Geef me dan een paar centen, baas.''

Jongemannen die rondhangen op straat, het is geen ongewoon beeld in Afrika. Net zo min als bedelaars. De werkloosheid in Afrika is vele malen groter dan de werkgelegenheid. De grote depressie kent geen einde. In een land als Zimbabwe sluit het onderwijs nauwelijks aan op de krappe arbeidsmarkt. Het overgrote deel van de driehonderdduizend schoolverlaters per jaar heeft geen uitzicht op een baan. Wat deze overtolligen rest, is hangen op het industrieterrein, hopend op een daglonersklusje. Anderen zoeken hun heil in criminaliteit of straathandel.

Door de omstandigheden gedwongen, kiest een groeiend leger jongemannen ervoor om een paar keer per week achttien holes lang de zware tassen van de bovenklasse te dragen. Vertelt Venancio, al 18 jaar caddiemaster op Wingate: ,,Dagelijks komen ze hier vragen of er plek is. Veel meer dan voorheen. Maar ik heb er al driehonderd, die allemaal niet genoeg verdienen.''

Het woord caddie heeft niets te maken met het Britse theebusje, caddy, en dus ook niets met de voormalige koloniën. Caddie zou komen van het Franse cadet, een jongeman die in het leger dient. In de achttiende eeuw raakte het woord caddie in Schotland in gebruik voor boodschappenjongens en klusjesmannen die zich op straat aanboden. Wellicht omdat het vaak ex-soldaten betrof. Aan het eind van de achttiende eeuw huurden Schotse golfclubs deze freelancers in om de kokers met stokken te dragen voor hun leden.

Twee eeuwen later is een caddie in het bijna klassenloze Europa een uitzonderlijke gewaarwording. Caddies zijn er alleen nog op de exclusieve clubs als St. Andrews in Schotland. Zij worden gezien als anachronismen. In Amerika is de caddie aan een revivaltje bezig. Een paar slimme caddies bieden zich aan op Internet, waar je ze met opgave van creditcardnummer kunt bestellen, ten minste 24 uur van tevoren. En in Florida is caddiën sinds kort een soort Melkert-baan. Risicojongeren van rond de twaalf krijgen een opleiding en kunnen daarna voor veertig gulden per ronde hun kost proberen te verdienen. De golfbaan in plaats van het getto.

Toch blijft een caddie in eerste instantie iets voor Tiger Woods of Ernie Els. Voor een professional die miljoenen dollars bij elkaar slaat. Niet voor de doorsnee golfer met hoge handicap (het aantal slagen dat een speler boven par – personal average result – speelt). Die torst de tas zelf, of duwt die voort op een driewielig karretje. In de Derde Wereld, met klassen- en inkomensverschillen waar die uit de Europese achttiende eeuw bij verbleken, zijn caddies nog steeds gemeengoed. Zelfs in het post-koloniale tijdvak. Of het nu in Senegal is of in Indonesië, overal staan jochies en jongemannen te duwen en te trekken om de gunsten van de spelers.

50 zimdollar

Harare heeft waarschijnlijk de hoogste caddiedichtheid van de wereld. Alleen al in en rond de Zimbabweaanse hoofdstad zijn er veertien golfbanen. In totaal zijn er zo'n drieduizend caddies. Zimbabwe is een echt golfland. Iedereen die het zich kan permitteren, speelt. Lokaal of expat, wit of zwart, maakt niet uit. Als je maar iets van geld hebt. Golfen op de schitterende banen in Zimbabwe is goedkoop, zeker vergeleken met de prijzen die in Europa worden gevraagd. Greenfees, die je moet betalen om de baan op te mogen, zijn zelden hoger dan een tientje.

Caddies zijn er ook niet duur. Het gemiddelde tarief bedraagt 50 zimdollar (ƒ2,50), exclusief fooi. Is een speler tevreden over de hand- en spandiensten van zijn caddie omdat-ie bijvoorbeeld geen bal uit het oog heeft verloren, dan doet hij er twintig dollar bovenop, een gulden. Het `lopen' van achttien holes kost de sherpa's van de fairways al gauw vier uur. Vaak op blote voeten.

Alleen: de golfcourses zijn het grootste deel van de week uitgestorven. Dit betekent dat sommige caddies niet vaker dan een, twee keer per week aan de bak komen. En dus te weinig verdienen om met gezin en al rond te komen.

Jimmy Lundu (21), caddie op de Police Club, heeft al vier dagen niets verdiend. Te weinig spelers. De Police heeft duidelijk betere tijden gekend. De zwarte politie van nu is minder geïnteresseerd in golf dan de blanke politiemacht van Ian Smith voor 1980. Het gevolg is dat de baan verwaarloosd is. De fairways zijn slecht gemaaid, de greens – het deel waar het balletje in het gaatje moet – hobbelig.

Ooit was dit, volgens Walter die er al 41 jaar caddiet, een prachtige club. Nog steeds heeft de baan wel wat. Gelegen op een glooiende heuvel niet ver van het centrum, heeft de Police als de zon laag staat een warme Afrikaanse atmosfeer. Achter de bomen die de baan omzomen, liggen de vervallen huisjes waar de politie en hun families zijn ondergebracht. Joelende kleine kinderen, een gettoblaster die hard een bandje van Thomas Mapfumo speelt.

Jimmy's vader was politieman, hij woonde in de modderige compound naast de golfclub. Toen Jimmy in 1993 wegens financiële problemen thuis van school moest, wat betekende dat hij zijn o-levels niet kon doen, besloot hij caddie te worden. Jimmy liep een paar maanden mee als leerling, om de finesses van het balspel te leren. Hij kan, behalve de tas dragen, de speler ook advies geven. Het verhaal van dropout Jimmy lijkt op dat van de meeste caddies.

De bekendste tassendrager van Harare is waarschijnlijk James Charakupa (44) van de Chapman Gofclub, een prachtig aangelegde baan op drie kilometer van het centrum van Harare, tussen Samora Machel Avenue en Robert Mugabe Street. Riviertjes, subtiele welvingen, gemillimeterd gras. James, caddie sinds 1975, draagt er de tassen van wereldberoemde Zimbabweaanse golfers als Marc McNulty en Tony Johnstone. James, een stoere kerel in wit overhemd en gestreken zwarte broek, ergert zich aan de nederige status van zijn werk. ,,In Zuid-Afrika heb je ook caddies, maar die worden beschouwd als professionals en krijgen navenant betaald. In Zimbabwe worden wij expres kort gehouden door het management.''

James, die in de door caddies gekozen caddiecommissie van Chapman zit, heeft net de club zover gekregen dat de fees zijn verhoogd naar 70 zimdollar (ƒ3,50). Hij had om 100 zimdollar gevraagd. Het geweeklaag in de – meest blanke – golfersscene is nog steeds niet om aan te horen. ,,Een schande, dat is het, wat denken die rotjongens wel niet.'' Sinds de prijs is omhooggegaan, is het aantal spelers met eigen duwkarretje flink toegenomen.

Een ander probeersel van James liep uit op een fiasco. De club was ook akkoord met een experiment waarin spelers meer betaalden voor ervaren caddies en minder voor beginnelingen. Want, zoals golfprofessional Mike Baylis (25) van Chapman het zegt: ,,Twintig procent van de caddies werkt hard, de helft bestaat uit slimme babbelaars die de klant tevreden kunnen houden, en slechts tien procent heeft echt verstand van golf.'' Om die echte caddies in te huren moest de golfende klant voortaan een fractie meer betalen. Voor initiatiefnemer James werd het een drama. Twee weken heeft hij niet gewerkt. Er was onder het chique publiek van Chapman geen vraag naar de duurdere caddies.

De caddies van Harare zijn geen lieverdjes. Veel caddies stelen, om hun armzalig inkomen op te krikken, als de raven. Daarom ook worden ze meestal niet in het clubhuis of op de parkeerplaats toegelaten. Op veel clubs hangen ook bordjes zoals op Chapman: `Controleer samen met de u toegewezen caddie de inhoud van uw tas, voor en na het spelen.'

Jattende caddies zijn trouwens van alle tijden. In Schotland was er ooit een die deed alsof een been korter was dan de ander. Hij liet een laars maken met een holle zool waarin hij een luikje liet zetten. Die laars zette hij dan op `onvindbare' ballen, die zich in de dikke zool nestelden en die hij later doodleuk terugverkocht aan de spelers.

Vooral naïeve buitenlanders zijn in Harare de klos. Hogelijk verbaasd dat hun Amerikaanse dollars zijn verdwenen uit de portefeuille die ze zonder argwaan in hun tas hadden gestoken. `En ze waren toch zóóó aardig en behulpzaam, die jongens.'

,,Als caddies hier stelen, stelen ze in stijl'', lacht pro Mike Baylis van Chapman, dat veel buitenlandse spelers welkom heet. ,,Dan pikken ze ten minste honderd Amerikaanse dollars. Ze weten dat als ze gepakt worden, hun caddiecarrière voorbij is. Wat ze ook jatten. Met dat risico voor ogen ga je niet een bal achterover drukken.''

Supercaddie James Charakupa kan zich geheel vinden in dat lik-op-stukbeleid. ,,Als één caddie steelt, hebben we meteen allemaal een slechte reputatie.'' De commissie waarin hij zit, heeft volmachten om rovende caddies te ontslaan en anderen te straffen. Als onder de hoge bomen de caddiemaster voorbij loopt met twee caddies in zijn kielzog, zegt James: ,,Kijk, die middelste, die gaat bestraft worden.'' Een jonge jongen in een vaal blauw shirt houdt het hoofd gebogen. ,,Hij heeft zonder dat om hem was gevraagd de caddieshack verlaten, en een tas van een nietsvermoedende speler opgepakt. Dat mag dus niet. De achterste caddie zit in mijn commissie.'' En wat is de straf? ,,Twee weken niet caddiën.''

James mag dan faliekant tegen alle kruimeldiefstal zijn, een beetje begrip klinkt wel door in zijn stem als hij zegt: ,,Spelers die goed betalen, een mooie fooi geven, verliezen niet zoveel uit hun tas. Spelers die slecht betalen, verliezen daarentegen een boel.''

Laagste van het laagste

In de shacks, de kooien of binnenplaatsen waar de caddies dagen wachten op een golfer, doden zij hun tijd met kaarten en dammen. Om geld. De saamhorigheid is echter opmerkelijk groot. Alles wordt gedeeld, zelfs schoenen en petten. Op de baan zie je vaak een caddie een fairway oversteken om een half opgerookte sigaret aan een vriend te geven. Sorghumbier drinken en marihuana roken, ander tijdverdrijf van de caddies mag niet op en rond de golfbanen. Dat doen zij in het struikgewas rond de courses.

Om hun vaak bedwelmde ogen open te houden, wedden de caddies ook onder elkaar op de resultaten van de spelers. Niet zelden zetten ze al het geld in dat ze net aan het verdienen zijn. ,,Dan blijf ik de bal tenminste goed volgen'', zegt veteraan Walter van de Police. ,,Als ik de bal kwijtraak, betekent dat een strafslag voor mijn speler en dus een grotere kans dat ik mijn weddenschap verlies.''

Sommige caddies verliezen zich helemaal in de drank. In het niemandsland naast de tweede hole van Chapman hebben een paar ex-caddies aan een stroompje wat hutten van roestige platen neergezet. ,,Die jongens zijn het laagste van het laagste'', vertelt golfpro Mike Baylis, als hij gebukt voorgaat door het kreupelhout in de rough. Baylis, die opgroeide op Chapman waar zijn vader ook pro is, kent ook deze verschoppelingen goed. ,,Ze drinken de hele dag en gaan 's avonds ballen opduiken uit de meertjes op de baan. Die ballen verkopen ze, en van dat geld kopen ze bier.'' In de meertjes van Chapman wonen twee krokodillen. Maar de meeste duikende ex-caddies zijn al dood aan leververgiftiging voordat de krokodil ze te pakken heeft.

De verwensingen die de caddies over zich heen moeten laten komen, maken hun bestaan ook niet vrolijker. Walter, knokige oude voeten in gescheurde sandalen: ,,Ze kunnen heel grof zijn, zeker als we een bal verliezen. Of als we een verkeerde putt-tip geven op de green. Blank of zwart, maakt niet uit, ze zijn even hard. Ze zullen ook nooit eerlijk toegeven dat ze een slecht schot hadden, maar altijd zeggen dat ik een verkeerd advies gaf. Maar ach, ze noemen me geen `boy' meer, zoals voor 1980.''

Maar elke maandag kunnen de caddies sportief wraak nemen op al die slechtbetalende, foeterende spelers. Op die dagen zijn de dragers spelers. Met zijn zessen of achten tegelijk, een krakkemikkige golfset delend, gaan ze de baan op. Als het even kan twee keer achttien holes. Jimmy heeft handicap 11, Noel 15 en zelfs kreupele Walter haalt nog makkelijk 20. James van Chapman speelt handicap drie. De meeste caddies van Harare kunnen met gemak winnen van de golfers wier onbetaalbare clubs ze dragen. En die wetenschap verschaft ze de andere dagen van de week net genoeg eigenwaarde om te kunnen overleven.