Zingen is voor mij geen kunst

De jonge Duitse zanger Andreas Scholl wordt beschouwd als de meest getalenteerde countertenor van zijn generatie.

Een stem zegt meer dan ogen, luidt een bekend zangerscliché. Is het daarom zo moeilijk afstand te doen van de logische parallel tussen iemands spreek- en zangstem? Zelfs tegen beter weten in verwacht je dat een zanger die hoog en wendbaar zingt als Andreas Scholl even hoog en zangerig zal spreken. Maar een counter- of contratenor annex altus, het hoogste mannelijke stemtype op een zeldzame sopranist na, is van nature meestal gewoon een goedmoedig brommende bas of een beschaafde tenor - en in dat register klinkt dus ook de spreekstem.

Andreas Scholl (31) is de meest gelauwerde countertenor van het moment. Hij vertelt rustig, met een prettige bariton. En hoewel hij opgroeide in Duitsland, spreekt hij vloeiend Nederlands met een Duitse tongval en een zacht-zuidelijke zinsmelodie. Zijn eerste vriendinnetje woonde in Nijmegen en sindsdien koopt hij wel eens een Nederlands tijdschrift, legt Scholl zonder enige trots uit. Talen leren heet makkelijker te zijn voor muzikale mensen.

De onwennigheid met `een man die zingt als een vrouw' is na voorvechters als countertenoren Alfred Deller, met wie het stemtype begin deze eeuw opleefde, en Michael Chance grotendeels verdwenen. Het is al lang niet meer salonfähig te grinniken om de klank van een mannelijke alt, en zeker voor Andreas Scholl is er zicht op een carrière die verder reikt dan de beperkte schare barokliefhebbers. Scholls stem klinkt even elastisch als heroïsch, en wie hem beluistert begrijpt hoe castraatzangers in de achttiende eeuw hun publiek hypnotiseerden en, zoals Margriet de Moor beschrijft in haar roman De virtuoos, betoverden.

De term countertenor ontstond pas in deze eeuw, als benaming voor een zanger die zonder operatie de partijen zingt die werden geschreven voor een castraat. De praktijk van het kopstemzingen is veel ouder; al in 1500 wordt gesproken van zangers die falsetteren, zingen in het kopstemregister dat ieder mens bezit, maar bij stervelingen zonder talent en/of oefening slechts kernloze fluittonen oplevert.

Voor Andreas Scholl is hoog zingen een vanzelfsprekendheid. Hij begon zijn loopbaan als kleuter bij de Kiedricher Chorbuben, bleef onder het wakend oog van de plaatselijke zangleraar zijn sopraanstem trouw tot zijn negentiende en toog toen voor een opleiding tot countertenor naar de Schola Cantorum Baseliensis, een klein Zwitsers topconservatorium gespecialiseerd in oude muziek.

Rieslingwijn

Het `waarom' van zijn zingen heeft Scholl zich zelf ook vaak voorgelegd, maar het vinden van een oorzaak voor iets wat vanzelf spreekt is niet eenvoudig. In het dorpje waar hij opgroeide, was het bijna zeven eeuwen oude knapenkoor naast de even oude kerk en de plaatselijke Rieslingwijn de enige attractie, legt hij uit: ,,In mijn jeugd was zingen de enige sleutel tot vertier.''

Koorknapen mochten voetballen op het kerkplein, 's winters ping-pongen, eens in het jaar op vakantie of op tournee. ,,Nu halen moeders hun kindjes op van judo en tennis en ik weet al niet wat, maar voor mij was het zingen of niets.''

De keuze voor een loopbaan in de muziek kwam eigenlijk onverwacht. Scholl speelde thuis op zijn kamertje popliedjes op zijn synthesizer, maar van een countertenor had hij nog nooit gehoord. Totdat zijn zangleraar hem met het oog op de toekomst wat opnames liet horen. Zo zou hij ook kunnen leren zingen. `En waarom niet?' overwoog Scholl. Wie jong naar het conservatorium gaat, kan daarna altijd nog met iets anders rijk en beroemd worden.

Na een maand aan de Schola Cantorum Baseliensis was er de zekerheid van een juiste beslissing. ,,Ik voelde dat ik de weg was ingeslagen die altijd al voor mij was voorbestemd. En de omstandigheden in Basel waren paradijselijk. Weinig studenten, veel persoonlijke coaching. Zelfs het vak `barokdans' – waar ik veel te lang en te onelegant voor ben – heb ik nooit verzuimd. Het studieklimaat was ontzettend aangenaam en stimulerend.''

In Basel had Scholl zanglessen bij René Jacobs en Richard Levitt, en werd hij ingewijd in het geheim van `maximaal geluid met minimale inspanning'. Hij behaalde er in 1993 zijn diploma Oude Muziek, en werd kort daarop gecontracteerd door het platenlabel Harmonia Mundi.

Vanaf het prille begin is de loopbaan van Andreas Scholl geplaveid met lofkransen. Het omschrijven van zijn kracht vervalt zonder de hulp van muziek snel in clichés. Maar het is waar: in de beheersing toont zich de meester, en Scholl lijkt zich zelfs tijdens de meest adembenemende vocale figuren van geen hindernis bewust. Dat muzikale spanningsopbouw al te vaak een bevend kaartenhuis is, is eveneens snel vergeten. Scholl zingt met een souplesse die suggereert dat zingen even vanzelfsprekend is als ademhalen. Dat is de vrucht van zijn verleden als koorknaap en de bijbehorende dagelijkse discipline, legt hij uit. Zijn talent is voor hem ook vanzelfsprekend. ,,Zingen is voor mij gewoon geen kunst, het is een combinatie van fysiologie, talent en oefening.''

Sinds kort heeft Scholl zijn samenwerking met Harmonia Mundi beëindigd ten gunste van een contract bij het grotere label Decca. Bij Decca maakt hij een kans door te breken naar een grotere kring luisteraars, mede doordat zijn voor een countertenor donker gekleurde timbre in onwennige oren minder onwennig klinkt dan het typisch contratenorale, lichte en meer `vrouwelijke' geluid van zangers als Derek Lee Ragin en Michael Chance.

Scholl heeft maling aan de identiteitsvragen waarmee journalisten hem gretig confronteren. `Ik ben zanger, en dan pas countertenor', pareert hij steevast. Het kopstemregister bevalt hem simpelweg het best. Ook onder de douche. ,,Ik begrijp wel dat iemand anders het een beetje vreemd vindt dat een man zingt met een hoge stem, maar dat is alleen maar een maatschappelijke conditionering. Man-zijn staat voor voetbal en bodybuilding, terwijl in het verleden een `echte man' niet alleen moest kunnen vechten, maar ook een instrument bespeelde en gedichten schreef. Dat gevoel zijn we jammer genoeg een beetje verloren, en daarom stuit een begrip als `heldencastraat' op onbegrip. Maar ik vind ik het hoogst merkwaardig dat journalisten vaak insinueren dat ik me zeker wel androgyn voel als ik zing. Nee!''

Prachtervaring

Scholls ster is rijzende. Hij zong vorig seizoen met veel succes zijn eerste rol in een geënsceneerde opera – Händels Rodelinda in Glyndeborne. ,,Een prachtervaring'', vertelt hij. ,,Ik moest erg wennen aan het gevoel met volle overtuiging iemand anders te spelen, en had er dagen voor nodig over de slappe lach heen te komen. Al die zangers met vertrokken gezichten... Maar opera-ervaring helpt je ook in andere genres; het zet mij bij het zingen van oratoria aan ook daar te zoeken naar de dramatische zenuw. En om een compleet zanger te zijn wilde ik ook per se opera zingen. Wanneer iemand die niets van muziek weet hoort dat ik zanger ben, fluistert hij meteen enthousiast; `Ah, ja, opera!'. Je kunt nog zoveel recitals en oratoria zingen, opera blijft het genre bij uitstek.''

Scholl heeft over aanbiedingen niet te klagen en zal in 2001 in Glyndeborne terugkeren voor Benjamin Brittens Midsummernightsdream. Maar met het oog op zijn pasgeboren dochtertje heeft hij zijn voet zachtjes op de rem gezet. Met ingang van volgend seizoen is tijd ingeruimd voor het geven van zanglessen aan huis. ,,Ik wil mijn familie niet opgeven voor mijn beroep. Er moet een balans zijn.''

Het thuisfront biedt nog een andere trekpleister. Scholl heeft er een semi-professionele geluidsstudio, volledig uitgerust met digitale mengtafel. Hier zwijgt de oude muziek en regeert een genre dat hij omschrijft als `popbarok'. ,,Ik schrijf mijn eigen songs, waarin ik de gitaar vervang door luit en clavecimbel. Maar het is wel echt pop'', zegt hij bijna verontschuldigend. In zijn popliedjes benut Scholl ook zijn `gewone' baritonregister. ,,Voor pop klinkt dat goed, maar voor barokmuziek is mijn borststem veel te rauw en ongepolijst.'' Met zijn popbarok, die hij na lang aarzelen omschrijft als `een beetje soul en een beetje funk', mikt Scholl op een volwassen doelgroep, en nu Decca heeft toegezegd zijn huiskamerexperiment eind van het jaar op cd te willen uitbrengen, staat niets hem nog in de weg dat publiek ook te bereiken.

Artiest-gericht verkoopbeleid schrikt Scholl niet af. ,,Men denkt vaak dat commercie en integriteit met elkaar in tegenspraak zijn. Maar ik zie er geen kwaad in commercieel te zijn als de artistieke kwaliteit blijft gewaarborgd. Ik wil niet alleen de liefhebbers van barokmuziek bereiken, maar ook een publiek dat zich interesseert voor zang in het algemeen, of voor mij als artiest. En dat doe je door interessante muziek te zoeken en er steeds naar te streven die op het hoogste niveau uit te voeren.

,,Ik vind het ook alleen maar toe te juichen dat een countertenor als Michael Chance zijn horizon verbreedt en liederen van Schubert zingt. Waarom niet? Wij zijn gewend romantische muziek met een klagende vrouwenalt te horen, maar misschien is het wel heel verrassend als een mannelijke alt die partij op een heel eenvoudige manier zingt, waardoor de muziek opeens prevaleert boven de stem. Ik ben zelf nog lang niet uitgekeken op de oude muziek, en weet ook niet of ik ooit mijn repertoire op die manier zal uitbreiden. Er valt in bibliotheken nog zoveel prachtmuziek uit de renaissance en barok te ontdekken. Maar ik vind niet dat een countertenor zich tot die periode moet beperken. Uiteindelijk bepaalt alleen het publiek of een experiment deugt of niet. Musicologen zijn vaak nogal star in hun oordeel. Zij koppelen authenticiteit aan wetenschappelijke feitjes. Ik erken alleen de authenticiteit van het gevoel. Daaraan mag je geen concessies doen.''

Andreas Scholl is onder meer te beluisteren in: Ombra mai fù, diverse opera-aria's van G.F. Händel m.m.v. de Akademie für alte Musik, Berlin. (Harmonia Mundi, 901685). Heroes, diverse opera-aria's van Händel, Hasse, Gluck en Mozart m.m.v. het Orchestra of the Age of Enlightenment o.l.v. Roger Norrington. (Decca, 466 196-2)