We kunnen niet dagelijks boete doen

Berlijn blijft verdeeld over het nieuw te bouwen Holocaust-monument dat uit duizend betonnen pijlers bestaat.

György Konrád rilt van afschuw als hij eraan denkt, dat in het `nieuwe' centrum van Berlijn een reuzenkerkhof komt te liggen. ,,De bezoekers van Berlijn moeten niet bang worden gemaakt met een woud van betonnen zuilen, met een gruwelijk pseudokamp'', vindt hij. ,,Deze gigantische betonmassa heeft niets met de vermoorde joden van Europa te maken.''

Konrád, de Hongaarse schrijver en president van de Berlijnse Akademie der Künste, laat er geen twijfel over bestaan: het Holocaust-monument, dat de Amerikaanse architecten Peter Eisenmann en Richard Serra hebben ontworpen, en dat bestaat uit duizenden betonnen pijlers, mag niet worden gebouwd. ,,Deze robuuste massa van materiaal werkt eerder afstotend dan aangrijpend'', zegt Konrád, in de tuinkamer van de Akademie, midden tussen de ontluikende bloemen en bomen in park Tiergarten.

De culturele specialisten in het parlement hebben vorige maand enkele prominente intellectuelen en politici als Konrád in Bonn uitgenodigd voor een hoorzitting over het omstreden monument, die volgende week worden vervolgd. Na tien jaren van emotionele debatten en harde belangentegenstellingen tussen voor- en tegenstanders van het Mahnmal, is het laatste woord in deze delicate kwestie aan de Bondsdag. Haast is geboden, want bondskanselier Gerhard Schröder (SPD) en Bondsdagvoorzitter Wolfgang Thierse willen dat nog dit voorjaar een besluit valt, zodat het onzalige debat de wereld uit is voordat de regering deze zomer naar Berlijn verhuist.

,,Hoe bombastischer het monument, hoe eerder het tegenovergestelde reacties losmaakt, spottende en anti-semitische reacties'', hield Konrád onlangs de cultuurcommissie van de Bondsdag voor. ,,Er zullen politie-agenten nodig zijn en wachttorens om het enorme monument te bewaken, zodat neonazi's de stenen niet besmeuren.'' Een lobbygroep rondom de SPD-theoloog Richard Schröder heeft nu een heel nieuw, veel kleiner monument voorgesteld, een bescheiden steen met het opschrift Du sollst nicht morden, in Hebreeuwse letters. Schröder weet zich gesteund door prominente Duitsers zoals oud-president Richard von Weizsäcker, oud-kanselier Helmut Schmidt en Johannes Rau, die hoopt president Herzog in mei op te volgen.

De verbitterde strijd over het Mahnmal heeft een beslissing er niet gemakkelijker op gemaakt. De vorige bondskanselier Helmut Kohl wist op het nippertje te voorkomen dat tussen Brandenburger Tor en Potsdamer Platz een dikke, betonnen grafzerk ter grootte van een voetbalveld kwam te liggen. Maar ook de nieuwe rood-groene regering is niet met de gehoopte deus ex machina gekomen. Nog voor de verkiezingen hadden verschillende SPD-ers zich negatief uitgelaten over het groteske Holocaust-monument. Michael Naumann, cultuurcommissaris van kanselier Gerhard Schröder, sprak tijdens de campagne van een `beklemmend, Albert-Speerachtig' monumentalisme. Alle ontwerpen bestonden immers uit betonblokken, die een reusachtig terrein van meer dan 20.000 vierkante meter vulden.

Net als Kohl had Naumann zich laten verleiden de New-Yorkse architect Eisenmann te vragen zijn model voor de zoveelste keer aan te passen: Eisenmann III. Ditmaal wordt het herinneringsveld van betonnen zuilen voorzien van een museum, een onderzoekscentrum plus een `Muur van Boeken', die 20 meter hoog en 100 meter lang is. Het ontwerp is nog grootser dan de vorige modellen en de kosten stijgen exorbitant, van 15 naar 150 miljoen mark.

Verzoening

,,Deze hele onderneming is onmogelijk geworden'', meent Konrád. ,,Met de doden kan niet worden gehandeld: jullie krijgen een reuzenmonument, in ruil daarvoor willen we jullie verzoening.'' Ook de schrijver Martin Walser trok in een lezing, ter ere van de Vredesprijs in de Frankfurter Paulskirche, fel van leer tegen de `betonnering' van het Berlijnse centrum, waar een `grote nachtmerrie' dreigde te ontstaan, die `de monumentalisering van onze schande' moest symboliseren.

De overlevende joden hebben er niet om gevraagd, zegt Konrád. Zij hebben de afgelopen decennia op de kerkhoven, in de synagogen en op hun eigen grond allang het nodige gedaan. ,,Gedenkplekken zijn decent en niet bombastisch. Verdriet vraagt om deemoed, ze veracht protserigheid.''

Als de levende joden íets nodig hebben, is dat volgens Konrád het bewaren van herinneringen, van documenten. ,,Duitsland was competent in de vernieting van de joden, het moet ook competent zijn in het bewaren van de herinnering.'' Dat is voor de joden een geste van geestelijke Wiedergutmachung en die wordt, meent de schrijver, waargemaakt met het nieuwe Joodse Museum van Daniel Libeskind. In de zogenaamde E.T.A. Hoffmann-tuin in het museum heeft de Amerikaanse architect al voelbaar gemaakt wat het is om verloren te zijn in ballingschap, zegt Konrád. ,,Waarom moet dit idee in een monstrueus veelvoudige omvang worden herhaald? Wie in het Joodse Museum tussen de stenen zuilen loopt, begrijpt de toespeling. De lege torens en de beelden in het museum van Libeskind symboliseren de onderbreking in de continuïteit van het leven. Dat is voldoende.''

Konrád zelf heeft deze onderbreking ook beleefd. Als zoon van een joodse ijzerwarenhandelaar is hij geboren in een dorpje bij Debrecen in het zuiden van Hongarije. Elf was hij toen zijn vader in mei 1944 door Hongaarse politiemannen en Duitse officieren werd weggehaald. Enkele uren later kwamen ze voor zijn moeder. In de omgeving waren al vele joden naar getto's getransporteerd of in overvolle veewagens afgevoerd naar het buitenland. Met twee nichtjes en zijn zusje verliet de jonge György het dorp en vertrok naar Boedapest. Daar nam hij afscheid van zijn nicht Vera, die naar familie reisde. Toen György twee weken later langs de oevers van de Donau wandelde, was Vera al vergast te evenals een groot deel van zijn familie. Van de tweehonderd joodse kinderen uit zijn geboortedorp waren er na de oorlog nog maar vier in leven.

Niemand hoeft Konrád te vertellen hoe hij moet herinneren. ,,Het is al moeilijk om meester over je eigen gedachten te zijn. Maar dat een ander, zonder mijn toestemming, zegt wat ik me moet herinneren, ervaar ik als nonsens'', schrijft hij in een essay Die Freiheit des Erinnerns.

Morele knuppel

In het verbitterde debat tussen Martin Walser en Ignatz Bubis, voorzitter van de Centrale Raad voor Joden in Duitsland, over de morele kwelling van Auschwitz, had Konrád begrip voor Walser. De Beierse schrijver had de ritualisering van Auschwitz gehekeld, die door sommigen als `morele knuppel' werd gebruikt. Zelf kon Walser de Holocaust-beelden op televisie niet meer zien en bekende dat hij steeds vaker wegkeek.

,,De kunst dagelijks boete te doen, is ons niet gegeven. Ik wil ook zoveel beelden niet meer zien'', zegt Konrád. Zelf kan hij niet vergeten dat hij toen het nodig was de hand van Vera niet heeft vastgehouden. Het moment dat ze afscheid namen terwijl de zon door de glazen balkondeur scheen, tolt onophoudelijk door zijn hoofd.

Konrád: ,,Die vreselijke beelden worden eenvoudig geritualiseerd, ze worden misbruikt als vulgair horrorconsumentisme.'' Net als Walser, schrikt Konrád er niet voor terug tegendraadse meningen te geven. Zijn kritiek op de socialistische Oost-Europese maatschappij, die hij in zijn roman De bezoeker (1969) beschreef, maakte hem destijds bij het publiek wel, maar bij het Hongaarse regime niet geliefd. In zijn essay Die Intelligenz auf dem Wege zur Klassenmacht (1978) en in Antipolitik schopte Konrád de communistische leiders opnieuw tegen de schenen. Het kostte hem zijn baan als socioloog bij het wetenschappelijke Planologische Instituut in Boedapest.

Konrád werd gearresteerd en na wereldwijde protesten weer vrijgelaten. Voor de communistische partij bleef hij een van de scherpste critici, een onvermoeibaar ijveraar voor mensenrechten en democratie. Het IJzeren Gordijn was nog niet opgetrokken of Konrád waarschuwde, dat `in dit land opnieuw vele mensen bang zijn'. In de jonge democratieën zag hij al vroeg het spook van het `chauvinistische autoritaire rechts-extremisme' opduiken. In februari waren veel mensen in Boedapest bang vanwege een grote mars van neo-nazi's, die de mislukte uitbraak van SS-ers in 1945 wilden herdenken. Ook de aanslagen van rechtsradicalen op buitenlanders in het Duitse Brandenburg boezemen menigeen angst in. Konrád: ,,Het zal geen staatsmode meer worden om buitenlanders in elkaar te slaan. Het zal ook niet getolereerd worden dat deze jonge mensen bewapend gaan marcheren. Vroeger wilde de heersende elite krijgslustig zijn, nu is die martialiteit een onderklasse-verschijnsel geworden. Rechts geweld is een probleem voor de rechtsstaat, maar het is te beheersen.''

Hem valt het niet moeilijk om als jood in Berlijn te leven, als `slachtoffer' in het land van de `daders'. ,,Ze hoeven me niet lief te hebben. Het is al heel aardig als ze me niet doden'', zegt Konrád met een cynische glimlach, dan nadenkend: ,,Als iemand iets heeft gedaan, is het gebeurd. Maar zijn zoon of dochter heeft het niet gedaan, ook zijn vriend niet. Veel van de misdaden zijn niet collectief gepleegd, maar individueel.''

Natuurlijk kan hij begrijpen dat de nakomelingen van de generatie van `daders' het als een plicht voelen te herdenken. ,,Voor hen is een Holocaust-monument belangrijk, voor de Duitse publieke opinie, voor de politici die een geste willen maken van Nie Mehr, dat de Duitse staat nooit meer een massamoord op onschuldige mensen zal plegen.''

Daarom heeft hij de Bondsdagleden in Bonn een suggestie gedaan. ,,Een klein beeldje niet groter dan een mens op de Platz der Republik tussen de Rijksdag en de nieuwe bondskanselarij. Dat is een prominente plaats, een plek waar staatsgasten een moment blijven staan en hun hoofd een beetje buigen. Dat is genoeg.''

Voor het braakliggende terrein tussen de Brandenburger Tor en Potsdamer Platz heeft de Hongaarse schrijver een mooi alternatief: een herinneringstuin met planten, bloemen en bomen, die ook in de winter hun kleur behouden. Dit macabere gebied vlakbij de vroegere bunker van Hitler is een uitgelezen plaats voor een open kunstwerk van tuiniers en botanici, vindt Konrád.

,,Een levende tuin als antwoord op de dood. Dat is veel beter dan een woud van betonnen palen.'' Het is maar een voorstel zegt hij. Een voorstel van een Hongaarse jood in Berlijn die liever niet uitkijkt op een treurig kerkhof, maar op het leven dat zichzelf vernieuwt.

Die vreselijke beelden worden misbruikt als vulgair horrorconsumentisme

Een klein beeldje niet groter dan een mens, dat is genoeg