Vleesetende kevers

Langs het weiland loopt een sloot. Op het eerste oog gebeurt er weinig. Maar als je even de tijd neemt, zie je dat het wemelt van het leven. Op het wateroppervlak krioelen kleine beestjes. Tsjoep, daar schiet er eentje een stuk vooruit. Even ligt hij stil en, tsjoep, daar gaat hij weer. Het is een schaatsenrijdertje. Op de bodem, tussen de waterplanten, liggen vlak bij elkaar vier kikkers. Bewegingsloos. Dan komt er eentje tot leven. Als hij over twee andere kikkers probeert te kruipen, gaan deze er vandoor. Opeens verschijnt er tussen de planten een kever. Hij zwemt naar boven, naar het wateroppervlak en schiet weer naar beneden. De kever valt op vanwege de gele rand die aan de onderkant van zijn donkergroene schilden loopt. Aan deze rand kun je hem herkennen, de geelgerande waterkever. Hij is slechts drie centimeter lang en twee centimeter breed, maar een geduchte rover. Hij vreet kikkervisjes, stekelbaarsjes en valt soms salamanders en waterslakken aan. Hij grijpt zijn prooi met zijn voorste vier poten. Daar zitten vervaarlijke doornen en klauwen aan. Hij scheurt zijn prooi in stukken met zijn kromme kaken. Wees dus voorzichtig als je de geelgerande waterkever met een netje uit het water hebt gevist en hem probeert vast te pakken. Het is veiliger om de kever met een pincet of een dubbelgevouwen stuk blik beet te pakken. Maar dan nog moet je uitkijken. Voor de stank. Als de kever zich in het nauw gedreven voelt, scheidt hij tussen zijn borstschild en achterlijf een vloeistof af. Het is geen vergif, maar het goedje stinkt enorm. Baaah, wat een smerige reuk! Krijg je het spul op je vingers dan moet je flink met zeep gaan wassen, want anders stinken je handen de rest van de dag.

Zwemmen kan de geelgerande waterkever als de beste. Onder andere vanwege zijn behaarde poten. De kever heeft zes poten, net als elk ander insect. Bij de geelgerande waterkever dragen de achterste vier poten een dubbele rij haren. Als de kever tijdens het zwemmen zijn poten naar achteren slaat, spreiden de haren zich uit. Daarmee maakt de kever zijn poten breder en kan hij een krachtige slag naar voren maken. Haalt hij zijn poten in dan liggen de haren plat. Op die manier remt hij zichzelf het minst af.

De geelgerande kever vindt zijn voedsel trouwens op de reuk. Hij ruikt met zijn voelsprieten en zijn kaken. De kever heeft een goede `neus'. Hang maar eens een stukje vlees aan een touw in een aquarium met geelgerande kevers. Binnen de korste keren gaan de beesten onrustig in het rond zwemmen. Het wordt steeds erger. Ze schieten als idioten door het water, totdat ze het stuk vlees tussen hun kaken hebben. Dan keert de rust weer.

Zo zijn er ooit proeven gedaan met uitgehongerde kevers. Ze zwommen rustig rond in een aquarium. Totdat er nieuw water bij kwam. Het was water waarin kikkervisjes hadden geleefd. De jonge kikkertjes waren er inmiddels niet meer, maar het water rook nog wel naar hen. Zodra het water in het aquarium werd gegoten, gingen de uitgehongerde kevers als idioten rondtollen. Ze roken de kikkervisjes en dachten dat er eten in de buurt was.

Naarmate het zomer wordt, kunnen de plassen waarin de geelgerande kever leeft uitdrogen. Dan slaat hij zijn vleugels uit en gaat hij op zoek naar andere plassen. Soms komt hij terecht in regenbakken of watertonnen. Meestal gaat hij tegen de avond op reis.