Vleermuizen op gitaar

Seagull Screaming Kiss Her Kiss Her uit Tokio speelde op de SXSW, een grote popbeurs in Texas. Henk Hofstede, zanger en song-schrijver van de Nits, was er ook.

De monitor van de videocamera. Kleur. Het rechthoekige beeld van een drie meter hoge ijzeren cactus die bij de ingang van het motel staat. De stekels zijn gele neonbuizen, maar ze branden niet. Het is half acht in de ochtend in Texas. Midden op het beeldscherm zit een vage vlek, ik draai aan de lens en zie een lieveheersbeestje buiten tegen het raam. Hij begint te lopen en zijn pootjes kriebelen de vage cactus, volgen de l van motel en klimmen omhoog in de grijze lucht boven Austin.

Ik ben hier op uitnodiging van het Nationaal Pop Instituut dat tijdens de South By Southwest Music and Media Conference in Austin, Texas informatie geeft over Nederlandse popmuziek. Er is mij gevraagd een video-verslag te maken over de optredens van de zeven Nederlandse acts die hier uitgenodigd zijn.

Gisteravond ben ik in het Iron Cactus Motel aangekomen. Het was al donker en de stekels van de cactus gingen aan en uit, net als mijn ogen na negen uur vliegen. De airco zoemde en een auto scheen op de bomen in de verte. Krekels. Slapen.

Als je loopt ben je verdacht. Ik ben een man zonder auto, alleen op een weg in Texas. De Dry Creek Road kronkelt door de heuvels naar Austin en in de verte komen de uitgeknipte wolkenkrabbers net boven de bomen uit. Het is voorjaar en alles is hier groen. Vlak boven mijn hoofd hoor ik de heksenkreten van elegante blauwzwarte vogels van het soort dat je na maandenlang schuren op handenarbeid bij je ouders trots op de schoorsteenmantel tentoonstelde. Snavel omhoog, arrogante blik.

Het blauwe vlekje tussen de bomen langs de kant van de weg wordt langzaam groter. `Turnaround' staat er met zwarte letters op een blauw bord. Is dit de naam van een ongastvrij gehucht iets verderop of alleen de mogelijkheid om op dit stuk weg om te keren. Ik zal het nooit weten want de grote zwarte man van het vervallen benzinestation mompelt iets onduidelijks als ik een fles Ozarka Spring-water bij hem koop en hem de betekenis van het geheimzinnige bord probeer te ontfutselen. Turnaround bestaat verder nog uit drie lage houten huizen met verveloze krakende veranda's waarop oude ijskasten en doorgezakte bankstellen. Achter een klapdeur met vliegengaas staat een man met een dikke buik. Verder een paar door de wielen gezakte pick-up trucks en onzichtbare blaffende honden.

Ik loop verder en het lijkt wel of mijn schoenen een maat kleiner zijn dan in Amsterdam.

Als ik bij de brug over de Colorado rivier ben aangekomen lijk ik wel een strompelende cowboy die maanden op zijn paard heeft gezeten in `Rawhide' en net is afgestapt.

Mijn tenen staan krom als ik de grote trap van het Austin Convention Center oploop en in een lange rij terecht kom van SXSW-deelnemers die zich op deze eerste dag moeten inschrijven in ballroom A, een hoge grijze hal die verdrinkt in het neonlicht.

Als ik aan de beurt ben en het meisje achter de tafel mijn naam gevonden heeft tussen Hoffmann Caroline en Hoiberg Steve en vervolgens Hofstede op weer een andere manier uitspreekt, krijg ik een grote linnen tas met verrassingen, een dik festivalboek en een pasje met mijn naam en mijn company (The Dutch Rock & Pop Institute) in hard plastic. Als je ergens naar binnen wilt moet je dit pasje met een koord om je nek hangen zodat je er uit komt te zien als een grote Teletubbie met een tv-scherm op je buik waar iedereen eerst even naar kijkt alvorens je echt aan te kijken. Sommige uitverkorenen pronken met een pasje met daarop het woord platinum en een foto van de drager. De artiesten worden geboeid met een gekleurd polsbandje dat niet af mag (zonder het stuk te maken krijg je het niet los) tijdens de periode dat hij of zij speelt. Sommige artiesten spelen hier een paar dagen en liggen 's nachts in bed met dat harde plastic bandje om hun pols en krijgen nachtmerries van wurgcontracten en het vastgeketend zijn aan platenbazen met platinum pasjes op hun dikke buiken.

Naast ballroom A ligt de grote hal waar de SXSW trade show zich bevindt, de huishoudbeurs van de rock industrie. Temidden van de talloze stands is de stand van het N.P.I. een grote oranje vlek, ontworpen door Peter te Bos. Medewerkers Laurence, Gerrie en Arjen dragen oranje t-shirts en geven oranje plastic tassen en de verzameling cd's met Nederlandse rock, pop, dance, world, singer/songwriter, jazz en r&b. Info door middel van video's en computer.

De Nederlandse kraam is ook een magneet voor alle Hollanders die naar de SXSW zijn gekomen. Tom Engelshoven van OOR verschijnt in beeld met een fietshelm op zijn hoofd, hij heeft ergens een fiets gehuurd en zal 's avonds razendsnel van club naar club fietsen om zoveel mogelijk te zien en te horen.

Vier avonden van acht uur tot diep in de nacht spelen de achthonderd bands, singer-songwriters en dj's in de clubs, bars en saloons met prachtige namen zoals Hole in the Wall, La Zona Rosa, Buffalo Club, Copper Tank en Elephant Room. De meeste daarvan bevinden zich in 6th Street, een straat uit een western waar je als je er 's avonds doorheen loopt een stereo-collage hoort van zware dancebeats, scherpe elektrische gitaren, zuigende blues-mondharmonica's, huilende steel-guitars, Japanse techno, hip hop en droevige ballades van gekwelde zangers.

Naast de Nederlandse stand staan de Finnen. Omdat ik regelmatig in Finland speel kom ik veel bekenden tegen onder wie Philip Page die ik vijftien jaar geleden hier in Austin ontmoette toen hij nog in een van de meest eigenzinnige platenzaken van Amerika werkte; Waterloo Records. Toen nog een schuurtje en inmiddels uitgegroeid tot een grote, moderne winkel met nog steeds een liefdevolle collectie cd's en platen. Philip woonde in een zelfgebouwd huis op de prairie en at de hele dag noten.

De passie voor Finse volksmuziek dreef hem naar Helsinki waar hij nu een eigen platenzaak heeft en waar hij manager is van de beroemde Finse damesband Vrttina en van Kimmo Pohjonen, een avant-garde accordeonspeler die hier zaterdag in de Electric Lounge met Robert Fripp een concert geeft. Philip gebruikt nog vaak het woord `groovy' en als wij afscheid nemen zegt hij `Lets rendez-vous' en `Adios'.

Terug in het motel kieper ik de inhoud van mijn `Big Bag' op het kingsize bed. Flessenopener, rocktijdschriften, oordopjes, condoom, cd met Japanse gitaarbandjes, uitnodiging voor een BBQ party en een lelijk t-shirt. Teveel troep, teveel muziek in de wereld. Wat blijft er van over? Ik staar versuft een tijdje naar de ijzeren cactus.

Het komt pas weer goed als ik 's nachts in een taxi `Radar Love' van de Golden Earring op de Classic Rock FM Radio hoor.

De ondergaande zon schuift achter een wolkenkrabber als ik terugloop naar de stad. Onder de brug over de Colorado rivier hangen overdag duizenden vleermuizen tussen de spleten in het beton. Als de zon ondergaat komen ze tevoorschijn en vliegen ze als grote zwarte wolken over de stad tussen de hoge gebouwen langs het vuurrode spiegelglas de nacht in, op zoek naar insecten, om daarna neer te strijken in de saloons en bars in de gedaante van rockmuzikanten die hun gitaren inpluggen en tot zonsopgang spelen.

In de Jazz Bon Temps Room zitten vier mannen aan de bar; ze drinken frozen margaritas en wachten op een tafel in het restaurant. Niemand ziet het maar het zijn vier directeuren uit Nederland; Pierre Ballings van Paradiso, Cor Schlösser van de Melkweg, Jaap van Beusekom van het N.P.I. en Louis Behre van het Crossing Border Festival. Ze kijken naar een zwart schijfje tussen de glazen op de bar dat zal gaan oplichten en piepen als hun tafel klaar is. Het is jammer dat de kleine vliegende schotel niet opstijgt en het gezelschap naar hun plek brengt. Als troost worden ze bediend door een waitress met een piercing in haar tong. Als ze haar mond open doet fonkelt een ster door haar gezicht. Tijdens het eten wordt er druk gebladerd in de SXSW pocket guide die tot op het uur precies vertelt wie in welke club speelt. Soms zijn de namen onweerstaanbaar; Seagull Screaming Kiss Her Kiss Her uit Tokio, Planes Mistaken For Stars uit Denver en de Deep Sombreros uit Austin. Oude liefdes en nieuwe ontdekkingen komen boven tafel waarop de borden met graten van de zwartgebrande catfish achterblijven als de heren de zesde straat inlopen, ieder met een eigen route voor de avond en de nacht.

De ster straalt nog één keer als de leuke waitress gedag zegt.

Om middernacht sta ik in de Electric Lounge te wachten op het optreden van Daniel Johnston, omschreven als een `troubled genius' en als hij opkomt begrijp ik meteen waarom. De geluidsman heeft de man met gitaar niet in de gaten en laat de muziek doorspelen. Daniel speelt dwars door de muziek zijn eerste nummer. Ik kijk door de zoeker van mijn camera en zie het grote roodverlichte hoofd met daarboven in goudgeel neon het woord `electric'. Een kwetsbaar en angstaanjagend optreden van deze kinderlijke man met zijn teksten in een schriftje op een muziekstandaard naast de microfoon.

`Rabbit eats chocolate rabbit' is de zin die ik mij weer herinner als ik de laatste dag 's nachts terugkom in het motel. Ik spoel de dagen terug in mijn camera en zie het meisje met het blauwe haar van Grumpyhead, de scratcher met de vier handen van Head First, het op de maat van de drums knipperende peertje in het Atomic Cafe tijdens het optreden van Cooper, de trage beweging van de camera langs het hoofd van Michael de Jong met de eenzame fluit van een trein in de verte tijdens een stilte in zijn song, de close-up van een rijtje mondharmonica's van Kim Snelten van Drippin Honey bovenop een versterker in groen licht en de hagelwitte schoenen van de zanger van de Travoltas.

Ik kijk naar de knipperende stekels van de cactus. In Amsterdam is de dag net begonnen, de meisjes fietsen naar school.

De artiesten worden geboeid met een gekleurd polsbandje dat niet af mag

Het komt pas weer goed als ik 's nachts `Radar Love'

van de Golden Earring hoor