Tirade op kerkhof

In mei 1962 debuteerde Louis Ferron in Maatstaf met de gedichtencyclus `Kleine Krijgskunde', waarin onder meer koperen krijgers, donkere kelers, krijsende nonnen en woedende pausen figureren. Bijna veertig jaar en een geharnast oeuvre later, is de strijd nog altijd niet gestreden. In Hier ligt Boot, het zesde deel van de zogeheten Muggenreeks, waaraan tot dusver zes verschillende schrijvers hebben bijgedragen op initiatief van de Haarlemse uitgeverij Gottmer, is sprake van de `totale oorlog' die Ferron van zichzelf moet voeren. Het is de taak van de schrijver, van de kunstenaar in het algemeen, zo meent hij, om nachtwaker te zijn van een tegencultuur, de schrik van iedere brave burger. Ook de nonnen zijn trouwens weer van de partij. De pausen zijn vervangen door andere katholieke gezagsdragers: `geknoopjurkte pederasten', volgens Ferron, met sigarenas op hun `robe'.

Van kleine krijgskunde naar totale oorlog: een mooie samenvatting van de ontwikkeling van een schrijverschap dat zich tot op heden nergens bij wenst neer te leggen. Niet bij het leven en niet bij de dood. Een boek lang spreekt Ferron de dode schilder Boot toe, alsof zijn eigen leven ervan afhangt en ik denk dat dat ook precies de indruk is die hij ermee wil wekken. Niets staat immers vast. Zoals de dood in zijn ogen niet iets definitiefs is waar al te sentimenteel over gedaan moet worden (`een voortzetting van de politiek met andere middelen'), zo ziet hij ook het leven als een veranderlijk fenomeen dat steeds weer hernomen kan worden. Voor Ferron is zijn eigen leven, zijn jeugd vooral, een onuitputtelijke bron van inspiratie, waaruit hij opnieuw een greep deed voor Hier ligt Boot. De ingrediënten liegen er niet om: in oorlogstijd verwekt door een Duitser die spoedig daarna zou sneuvelen, nagewezen en buitengesloten worden als moffenkind door keurige Haarlemmers, een egoïstische moeder, heerszuchtige grootouders, kindertehuizen, kostscholen, pleeggezinnen, twaalf ambachten en dertien ongelukken. Bijzonder is in Ferrons geval dat hij zijn lezers eigenlijk nooit het ongemakkelijke gevoel geeft dat ze keer op keer hetzelfde boek aan het lezen zijn, al is dat in zekere zin natuurlijk wel zo. Hij weet de zaak levendig en fris te houden doordat er altijd iets groters en algemeners is waartegen zijn eigen ervaringen worden afgezet: de geschiedenis van Europa, die van Duitsland en Oostenrijk vooral, de oorlog, de politiek, de journalistiek, de sociaal-economische hiërarchie. Haarlem, de muggenstad, is een van de zenuwcentra van waaruit Ferron met enige regelmaat de wereld beziet, ongeveer zoals Brakman graag opereert vanuit Den Haag, Krol vanuit Groningen en Van der Heijden vanuit Nijmegen of Amsterdam. Als een hedendaagse Nurks struint hij in Hier ligt Boot door de Haarlemmerhout, zich bewust van het feit dat je beter geen idealen kunt koesteren als je afkomstig bent uit de Bomenbuurt. `Dromen werden er bedrog geheten en tegen de masturbatie werden open ramen en ijskoud kraanwater ingezet.'

Het persoonlijke wordt bij hem nooit te persoonlijk, omdat hij zich de nodige variatie veroorlooft. Zijn vader, die in vroeger werk nog als soldaat aan het oostfront sneuvelde, vindt deze keer een roemloos einde onder een vallende gevel in zijn Westfaalse geboorteplaats. In een interview vertelde Ferron ooit dat de Playboy die een oom hem uit Amerika had opgestuurd hem was komen te staan op de definitieve schorsing van de Mulo te Medemblik. In Hier is Boot is het De lach, aangetroffen in zijn lessenaar, die het einde betekent van zijn priesteropleiding aan het seminarie. Of hij tussen de moeizame schoolbedrijven door ook in werkelijkheid wasserijknecht, hulpvakarbeider bij een drukkerij of leerling-afbramer bij bronsgieterij Binder in de Haarlemmermeer is geweest, zou ik niet met zekerheid durven zeggen, maar het zijn kleurrijke details die een mooi contrast vormen met de artistieke aspiraties die hij als adolescent ontwikkelde. Een buitenbeentje was hij al. Het kunstenaarschap kon er ook nog wel bij.

Aan deze aspiraties is Hier ligt Boot gewijd. Ferron laat ons hier de geboorte (en trouwens ook de fictieve dood) van zijn schrijverschap meebeleven en wel op een haast onferroniaans luchtige en openhartige manier. Niets valt hier nog te bespeuren van het theatrale en van de bombast die vooral zijn vroege, sterk Duits georiënteerde werk aankleefden. De bitterheid die in zijn vorige Haarlemroman, De walsenkoning (1993) nog hier en daar aanwezig was, is ook verdwenen. De toon is inderdaad `giocoso', zoals hij ons aan het begin van het boek belooft. Strijdbaar, maar opgewekt.

Het bloed kroop waar het niet gaan kon. Aanvankelijk wilde de jonge Ferron schilder worden, net als zijn vader, die in zijn vrije tijd wel aardige landschapjes penseelde. Bij gebrek aan een echte vader, koos hij de excentrieke Haarlemse schilder Boot als mentor. Die ontving in zijn morsige woning wel meer leerlingen die er tegen betaling naar model konden schilderen, al liet hij zich, naar het schijnt, aan zijn veelal ongetalenteerde pupillen, waartoe ook Ferron behoorde, niet al te veel gelegen liggen. Vorig jaar werd Boot herdacht met een tentoonstelling en een monografie, waarin vooral de nadruk werd gelegd op het feit dat hij de leermeester was van de veel beroemdere Kees Verwey. In de monografie van Michael Huig, waarnaar Ferron verwijst, valt te lezen dat `Haarlem' van Boot hield, ondanks zijn foute oorlogsverleden. Volgens Ferron is dat een kwestie van de Haarlemse `omèrta': men zweeg liever over dat oorlogsverleden, dan er zich in het openbaar rekenschap van te geven. In Hier ligt Boot doorbreekt hij nu maar eens die zwijgplicht en doet hij een boekje open over Boot. `Viert heel Haarlem uw revival ... geef ik u nog een trap na', merkt hij monter op.

De `doodgecomponeerde' stillevens van Boot kunnen hem gestolen worden. `Het is een en al dodekop, gebrande siena en groen dat maar geen groen wil worden', voegt hij de dode schilder toe, genoeglijk gezeten, zo wordt gesuggereerd, aan diens graf, met een heupflacon in de aanslag. Hier ligt Boot is een lange, krachtig getoonzette monoloog, gericht tot de man in wie hij ooit een geestverwant vermoedde omdat hij zich gewaagd had in het `Teutoonse kamp'. Een geval van vadermoord. Boot zelf komt maar ten dele uit de verf, maar de tegenstrijdige gevoelens die hij bij Ferron opwekt, spatten van het doek. Verontwaardiging en een zekere coulantie, medelijden en spot strijden hier om de voorrang. Erkentelijk is hij hem toch ook. Boot maakte hem immers vooral duidelijk hoe het níet moest. Door de schilderlessen kwam hij erachter dat hij in het stoffige atelier niets te zoeken had, dat hij moest gaan schrijven in plaats van schilderen en dat het droogkloterige stoïcisme niet zijn levensleer was.

Tegen het eind van zijn tirade steekt hij de hand ook nog even in eigen boezem. Want wat hij Boot verwijt, valt hemzelf evengoed te verwijten: de vlucht in de kunst, terwijl het toch allemaal zou moeten gaan om het echte leven. Je kunt beter een zoon van vlees en bloed verwekken, zelfs als het in de praktijk een akelig kereltje blijkt te zijn, zo meent Ferron, dan je tevreden te stellen met `de operette die literatuur heet'. Hij verwijt zichzelf dat hij, als het erop aankomt, voor de laffe omweg kiest, voor de ciseleur in plaats van de hakker, voor de literator in plaats van de schrijver.

Met deze kritiek doet Ferron zichzelf tekort. Hij slaagt er in Hier ligt Boot juist heel goed in om duidelijk te maken, al hakkend en schrijvend, wat hij wil. Het echte leven, jawel, maar niet als einddoel, maar als middel, als uitgangspunt voor literatuur. We kennen hem inmiddels goed genoeg om te weten dat hij aan het echte leven nooit genoeg zal hebben. Hij zal het mooier of juist lelijker proberen voor te stellen dan het is, om er de brave burger mee aan het lachen of aan het schrikken te krijgen. Hij zal er hoe dan ook een gevecht mee aangaan, en dat kan tot kleine krijgskunde leiden, maar ook tot totale oorlog.

Louis Ferron: Hier ligt Boot. Gottmer/Becht, 113 blz. ƒ32,90