Schilderen tegen de vooruitgang

Edward Burne-Jones schilderde honderden vrouwen - nonnen, engelen en middeleeuwse jonkvrouwen.

Het is geen wonder dat de actrice Sarah Bernhardt hemel en aarde bewoog om geportretteerd te worden door de Engelse kunstenaar Edward Burne-Jones (1833-1898). Als tragédienne was ze op haar best wanneer ze weerloze vrouwen speelde, die wegkwijnden in een groot, romantisch verdriet. Maar Sarah Bernhardt moet beseft hebben dat ze zelfs in haar meest aangrijpende rollen niet kon tippen aan de geschilderde vrouwen van Edward Burne-Jones. Hoe mooi haar Dame aux camélias ook was, hoe teer en smartelijk, het bleef een wezen van deze wereld, een vrouw van vlees en bloed. Met net iets te smalle lippen en te brutale kin. De enige die haar schoonheid een mythische, bovenaardse glans kon geven, was Edward Burne-Jones.

Maar hij ging niet op haar smeekbeden in. Edward Burne-Jones had een hekel aan het schilderen van portretten. De enkele keer dat hij zich aan een vrouwenportret waagde, merkte hij dat hij als vanzelf toegaf aan de neiging om alleen maar weer te geven wat hem beviel in een gezicht. Gelaatstrekken die niet pasten bij zijn droombeeld van de volmaakte vrouw verdoezelde hij. Wat haar ware uiterlijk ook was, op zijn portretten werd elke vrouw een typische Burne-Jones vrouw. En dat was precies waar Sarah Bernhardt naar hunkerde: een Burne-Jones-vrouw te worden.

Burne-Jones heeft honderden vrouwen geschilderd - middeleeuwse jonkvrouwen, nonnen, engelen, vrouwen uit mythen en legenden en allegorische figuren. Het zijn allemaal broze, etherische schepsels met bleke teint en een weelderig golvende haardos. Kleurige gewaden vallen in sluike plooien om hun lichamen en hun gezichten zijn een en al pure schoonheid. Zelfs als hij op één schilderij meer vrouwen afbeeldde, gaf hij ze toch ongeveer hetzelfde uiterlijk. In Groene zomer (1868) schilderde hij acht vrouwen in groene jurken zittend in het gras aan de rand van een groen bos. Het enige dat de vrouwen onderscheidt is hun haardracht. In het doek Venusspiegel (1876) kijken negen vrouwen in een waterplas naar hun spiegelbeeld. Wat ze zien is geen verrassing: ze zouden het ook zien als ze naar elkaar keken.

De vrouwen van Burne-Jones lijken als twee druppels water op de Venus of De lente van zijn grote voorbeeld Botticelli, maar helemaal identiek zijn ze niet. Ze zijn niet virtuoos geschilderd en ze missen de lichtvoetige gratie van Botticelli's vrouwen, het prille en zorgeloze.

Aan de vrouwen van Burne-Jones is elke blijmoedigheid vreemd. Uit hun koolzwarte ogen spreekt weemoed en melancholie. Ze zijn week en hulpeloos, ze lijden of lopen gevaar. Vastgeketend aan boom of rots, wachten ze weerloos op redding die vaak nabij is in de vorm van een man: een ridder, heilige of mythologische held. Slechts een enkele keer schilderde hij een minder passieve en kwetsbare vrouw, maar dan was het ook meteen een femme fatale, zoals de zeemeermin die in De diepte der zee (1887) een man naar de zeebodem sleurt. Met haar vileine glimlach is ze een van de weinige vrouwfiguren die hij een eigen identiteit gunde.

Koning Arthur

Burne-Jones wilde, zoals hij zelf zei, in zijn schilderkunst wedijveren met de verhalende literatuur en er zijn dan ook maar weinig doeken van hem waarop niet iets dramatisch gebeurt of staat te gebeuren. De meeste van die gebeurtenissen ontleende hij aan middeleeuwse verhalen, zoals de sagen van koning Arthur en de ridders van de ronde tafel, of aan de klassieke mythologie. Zijn eigen tijd, de tweede helft van de 19de-eeuw, leverde hem geen stof tot schilderen, integendeel. Burne-Jones had een hartgrondige afkeer van het tijdperk waarin hij leefde.

Dat hij de industriële revolutie verfoeide, was niet zo bijzonder, dat deden meer 19de-eeuwse kunstenaars. Maar Edward Burne-Jones haatte niet alleen de industrialisatie, hij vond dat alles in zijn tijd bergafwaarts ging. Hij klaagde over de verwording die hij om zich heen zag, de toenemende barbarij en het verdwijnen van elk schoonheidsbesef. De realistische schilderkunst vond hij suf en fantasieloos en hij zou er niet over piekeren om buiten, naar de natuur, te gaan schilderen. Het impressionisme was hem helemaal een gruwel. Ze schiepen sfeer, de impressionisten, maar daar bleef het bij. Hun drabbige schilderijen ontbeerden niet alleen schoonheid, er lag ook geen enkel idee aan ten grondslag. Hij was bitter teleurgesteld dat de schilderkunst zich tegen het eind van zijn leven nu net in die richting moest ontwikkelen.

De haat tegen zijn tijd was zo diep geworteld, dat Burne-Jones zijn kunst soms inzette als wapen. Toen hij in 1896, twee jaar voor zijn dood, het verzameld werk van de 14de-eeuwse dichter Geoffrey Chaucer had geïllustreerd, merkte hij tevreden op dat zijn tekeningen in geen enkel opzicht aansloten bij de smaak van die tijd. Hij had expres heel dikke lijnen gebruikt en hij noteerde: `Ik heb niets wat ik maar kon bedenken weggelaten om de mars voorwaarts van de wereld tegen te houden. (-) Ik heb alles gedaan om de vooruitgang te dwarsbomen.'

Meestal was Burne-Jones niet zo strijdlustig. Liever keerde hij de wereld de rug toe dan ertegen te vechten. In zijn schilderijen wilde hij een romantische droom scheppen `van iets wat er nooit was en er nooit zal zijn, in een mooier licht dan ooit heeft geschenen, in een land dat niemand kan beschrijven of zich herinneren.'

Hij zocht naar een `onwereldse schoonheid', die hij vooral vond in de kunst van de Middeleeuwen. In zijn afkeer van de tijd waarin hij leefde, volgde hij wel de mode van die tijd. Omstreeks 1850 was er een enorme belangstelling voor de middeleeuwse literatuur, bouwkunst en beeldende kunst. In Engeland was sprake van een `Gothic revival'.

Burne-Jones raakte in de ban van de Middeleeuwen toen hij theologie studeerde in Oxford. Samen met zijn studievriend William Morris maakte hij in 1855 een tocht langs de gothische kathedralen van Noord-Frankrijk en na die reis besloten ze beiden om hun leven niet in dienst van de kerk, maar van de kunst te stellen.

Terug in Engeland leerden ze de schilder Dante Gabriël Rossetti kennen, de oprichter van de pre-Rafaëlitische broederschap. Onder zijn invloed ging Burne-Jones zich geheel aan het schilderen wijden. Morris begon een kunstnijverheidsfirma. Hij streefde naar een herstel van oude ambachten die door de fabrieksmatige massaproductie teloor dreigden te gaan. Op bestelling van Morris maakte Burne-Jones talloze ontwerpen voor wandkleden, glas-in-loodramen en muurschilderingen. Veertig jaar lang, tot hun dood in de jaren negentig, zouden ze nauw met elkaar samenwerken. Al die tijd bleven ze geobsedeerd door de Middeleeuwen, niet alleen door het ambachtelijke handwerk uit die tijd, maar ook door de ballades en legenden, de ridderidealen, de religieuze mystiek, de gewijde sfeer en de verfijning en stilering van de gothische kunst. Burne-Jones vergeleek zijn artistieke roeping met de zoektocht naar de heilige graal: al zou hij in zijn schilderkunst nooit de absolute schoonheid bereiken, net als de middeleeuwse ridder mocht hij niet versagen, niet twijfelen aan zijn doel.

In zijn dweepzucht gaf Burne-Jones een romantisch, sentimenteel en geëxalteerd beeld van de Middeleeuwen. Op een reis door Italië, in de jaren zestig, raakte hij onder de indruk van de renaissance-schilders. Vanaf die tijd vermengde hij op zijn doeken middeleeuwse motieven met de klassieke oudheid. Griekse goden kleedde hij in harnas of maliënkolder. In zijn droomwereld was alles mogelijk.

Eerherstel

De overzichtstentoonstelling van Edward Burne-Jones die dit voorjaar te zien is in het Parijse Musée d'Orsay, is nadrukkelijk bedoeld als eerherstel. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was hij in Engeland een gevierd schilder, maar toen hij in 1898 overleed was er al niet veel belangstelling meer voor zijn werk. In deze eeuw werd dat er niet beter op. Volgens het openingsartikel in de catalogus hadden de critici die niets in zijn werk zagen en hem afdeden als een `weke estheet' ongelijk en is een positieve herwaardering van Burne-Jones volkomen terecht.

Het lijkt een gelegenheidspraatje. Schilderkunstig valt er weinig aan het werk te genieten, al wist hij in zijn gouaches weleens bijzondere kleureffecten te bereiken. Hij was meer een tekenaar dan een schilder. Toen hij eenmaal een gevestigd kunstenaar was nam Burne-Jones assistenten in dienst die hij de door hem opgezette schilderijen liet afmaken, zodat vaak niet uit te maken is wat zijn eigen aandeel was. Hoe decoratief zijn schilderijen ook zijn, met al die bloeiende lelies en rozen, die schitterende gewaden en haartooien, engelenvleugels, blinkende harnassen en voor de strijd opgetuigde rossen, het komt toch over als curieuze kitsch en het is moeilijk voorstelbaar dat men er in de vorige eeuw iets anders - schoonheid - in kon zien.

Maar het is ook nauwelijks voor te stellen dat de melodrama's waar Sarah Bernhardt triomfen in vierde toen zo aangrijpend werden gevonden. In de negentiende eeuw waren niet alleen op het toneel maar ook in het echte leven de omgangsvormen sentimenteler en werden emoties met grotere gebaren geuit. In de betere kringen was het een blijk van beschaving en gevoeligheid als vrouwen om het minste of geringste flauwvielen.

De sentimentaliteit had zijn weerslag op de schilderkunst. Bij Burne-Jones, die zo teer besnaard was dat hij de technische vooruitgang van zijn tijd niet kon verdragen, zien we bij elk schilderij het welbehagen in zijn eigen gevoeligheid. Elk doek is een larmoyante metafoor voor zijn smart.

Maar misschien is het wel waar dat nu de tijd van herwaardering voor zijn werk is aangebroken. We zijn immers dol op gevoelsuitingen. Op de televisie is het bon ton om emoties breed uit te meten en in al hun hevigheid te tonen. En in mode-reportages stralen bleke modellen met grote hunker-ogen precies dezelfde quasi-diepzinnige nostalgie uit als de kwijnende vrouwen van Burne-Jones.

Edward Burne-Jones, Musée d'Orsay, 62 rue de Lille, Parijs. T/m 6 juni. Ma. gesloten. Catalogus, 360 blz., ƒ130,-.

Onder de titel `Gothic revival' toont het Musée d'Orsay, eveneens tot en met 6 juni, een expositie van Engelse architectuur en toegepaste kunst uit de Victoriaanse tijd.