`Poëzie is beter dan geloof'

De grote stad, eenzaamheid, het lichaam, de zoektocht naar vrijheid en geluk – dat zijn de thema's van het werk van Louise Dupré, een van Québecs grootste dichteressen. ``In Frankrijk is een beroemde dichter vaak een dode dichter. Onze cultuur is relatief jong.'

`Bevroren lippen' heet het korte verhaal van Louise Dupré dat is opgenomen in de geuzenpocket Vonken van vrijheid. Verhalen van Canadese vrouwen. Niet meer dan vier bladzijden heeft Dupré nodig om een cruciale beslissing van haar vrouwelijke hoofdpersoon (te breken met haar vriend) van een verleden en van een toekomst te voorzien. Vier pagina's waarin Dupré erin slaagt met eenvoudig, beeldend taalgebruik de tragiek van een heel vrouwenleven op te roepen. De grote stad, sneeuw, eenzaamheid, liefde, het lichaam, twijfel, de angst te verdwalen, de zoektocht naar vrijheid en geluk – het zijn thema's uit het hele werk van Louise Dupré, een van Québecs grootste dichteressen van dit moment. Naast vele literatuurstudies en essays schreef zij La memoria, een prachtige roman over scheiding en opnieuw beginnen.

Op uitnodiging van de Salon du Livre, waar Québec dit jaar themaland was, gaf Dupré – innemend en bescheiden – een week lang lezingen en interviews over de literatuur in de Canadese deelstaat, waar tachtig procent van de ongeveer 7,5 miljoen inwoners Frans spreekt. Een miserabel soort Frans, volgens de inwoners van het voormalige moederland, waar dan ook enigszins neerbuigend gesproken wordt over `nos chers cousins', onze beste (brave) neven. Dat Québec over grote literaire talenten beschikt, was voor de zo gesloten Franse uitgeversmarkt een eye-opener.

Lange tijd hebben literatuur en poëzie in Québec een nationalistische toon gehad. Wanneer is dat veranderd?

``Tot aan de `révolution tranquille' (begin jaren zestig) was Québec een gesloten, achterlijke samenleving, waarin de machtige rooms-katholieke kerk bepaalde wat de mensen deden, dachten en lazen. Vrouwen kregen vaak achttien tot twintig kinderen. In de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig werd de maatschappij opener, van canadien-français tot québécois. In die tijd had onze literatuur een nationaal karakter. De generatie van de in 1997 overleden Gaston Miron stelde haar poésie du pays in dienst van de mensen, van het volk. In de jaren tachtig vereenzelvigde de poëzie zich steeds minder met de natie. Zij werd urbaine (stedelijk), weerspiegelde de belevingswereld van de stad, werd intiemer en kreeg aandacht voor identiteit, voor relaties tussen mensen onderling. Ook mijn dichtkunst is poëzie van het innerlijke.'

In Québec is poëzie ongekend populair. Hoe komt dat volgens u?

``Er worden bij ons veel dichtbundels gepubliceerd. Dat is misschien wat gemakkelijker dan elders, omdat in ons kleine taalgebied, temidden van miljoenen Engelstaligen, het uitgeven van literatuur door de overheid wordt gesubsidieerd. Er zijn veel poëziefestivals die duizenden bezoekers trekken. Iedere dichter kan per jaar tientallen keren in het openbaar uit zijn werk voorlezen als hij dat wil. In Frankrijk is een beroemde dichter vaak een dode dichter. Onze cultuur is relatief jong. De dichters die wij bewonderen zijn vaak nog springlevend.'

Het lijkt wel of er in Québec een opvallend groot aantal schrijfsters is.

``In de jaren zestig hebben de vrouwen geprofiteerd van de veranderende maatschappij en hun kans gegrepen. Ik behoor tot de generatie We Want It And We Want It Now – op de een of andere manier past dat goed bij de status van dichteres. In de dichtkunst is alles toegestaan, het is literatuur van het onmiddellijke. In Québec hebben dichteressen niet alleen de thematiek, maar ook de vorm van de poëzie vernieuwd. Hun mélange des genres bevat poëzie, proza, brief- of dagboekfragmenten, maar ook dialogen die voor toneel geschreven zouden kunnen zijn. Dat fenomeen kent men niet in Frankrijk, waar men uiterst wantrouwend staat tegenover alles wat naar feminisme zweemt. In de Franse debatten tijdens de Salon du Livre zit er geen één vrouw achter de tafel, in het televisieprogramma van Bernard Pivot over literatuur uit Québec evenmin! Dat zou bij ons ondenkbaar zijn. Ook de mannen zouden zich dan slecht op hun gemak voelen.'

Wat heeft u bewogen te gaan schrijven?

``Ik ben poëzie gaan schrijven nadat ik een gedicht van France Theoret had gelezen, een dichteres uit Québec. Het was een tekst over een vrouw, die een hele nacht lang wacht op het begin van haar menstruatie. Uiteindelijk blijft die uit. Het is een angst waarmee de meeste vrouwen minstens één keer tijdens hun leven worden geconfronteerd. Het is een universeel thema, dat nu benoemd kon worden. Dat wilde ik ook.'

Louise Dupré is haar uitgangspunt trouw gebleven. Met grote vrijmoedigheid schrijft zij, nu eens in pure dichtvorm, dan weer in poëtisch proza over de gemoedstoestanden van een vrouw van deze tijd. Haar gedichten zijn strak van vorm, haar bundels doordacht gestructureerd. Er staat geen woord te veel. Het gaat over kindertijd, verleden en herinnering, pijn en verdriet, zoeken naar geluk en innerlijk evenwicht, afscheid nemen en opnieuw beginnen. Dupré vergelijkt haar poëzie met een gebouw waarin veel ramen zitten. Gedichten uit haar laatste dichtbundel, Tout près, worden afgewisseld met drie tussentitels: fenêtres.

Wat zie je als je door de ramen van dat gebouw naar binnen kijkt?

``Je ziet hoe een vrouw in de wereld staat. Daar is in feite nog niets over gezegd en het verschilt nogal van hoe een man in de wereld staat. Tout près is een bundel over ouder worden. Een vrouw, die binnenkort vijftig wordt, denkt na over leven en dood, over de betekenis die je kunt geven aan een leven waaruit het geloof is verdwenen. Mijn generatie heeft in de jaren zeventig de religie afgezworen, maar niet de spiritualiteit. Ik vraag mij in die bundel af hoe je, vanuit een niet-godsdienstig standpunt, bezig kunt zijn met het hogere. Als kind las ik de bijbel. Dat stond voor mij gelijk aan het betreden van het domein van de fictie. De verhalen van missionarissen waren de enige reisverhalen die ik hoorde als kind – ik vond ze erg indrukwekkend. Nu heeft de poëzie bij mij de plaats van het geloof ingenomen. Dat is wat ik bedoel in die laatste zin van Tout près: poème, liberté, minuscule consolation (gedicht, vrijheid, hele kleine troost). Het woord is niet alleen een puur individuele uitdrukkingsmogelijkheid, maar het kan bijdragen aan een niet-egoïstische moraal, aan een ethiek, waarbij ook plaats is voor de ander. Schrijven in plaats van geloven. Voor een ander is dat misschien sociaal of politiek engagement. Veel mensen hebben geen enkel houvast meer. De familie valt uit elkaar, de politiek heeft iedereen ontgoocheld achtergelaten. De wereld wordt door multinationals geregeerd. Boeken, films en cd's moeten verkocht worden en maken dankbaar gebruik van de publiciteitsmachine. Amerikaanse soaps hebben de wereld veroverd. Amerikaanse zangers zijn tot norm verheven. Zingen zoals Jacques Brel, Léo Ferré of Georges Brassens, kunnen ze niet. Hun stemmen worden, voorspelbaar en onecht, in studio's gemonteerd. Via de media krijgen we clichés over liefde opgedrongen, over vrouwen, over seksualiteit. Vastgeroeste, dichtgeslibde beelden. In zo'n maatschappij is het essentieel afstand te nemen van bestsellers, die alleen maar worden geschreven om geld in het laatje te brengen. Je moet tegen de stroom in gaan, een andere stem aanbieden. Mijn woord is een woord van verzet, een alternatief dat met de stereotiepen breekt. Dat is volgens mij de taak van de dichter.'

Louise Dupré: Tout près. Ed. du Noroît, 93 blz. ƒ39,50

Louise Dupré: La memoria. Ed. XYZ, 219 blz. ƒ59,35

Louise Dupré: `Bevroren lippen' (vert. Marianne Gossije) in de bundel Vonken van vrijheid. Verhalen van Canadese vrouwen. De Geus, uitverkocht.