Peter Handke

Waarnemers zochten hem tevergeefs in Servië, de Oostenrijkse schrijver Peter Handke. Zijn plaats was in Belgrado, zo had hij de wereld laten weten, wanneer de NAVO-bombardementen op het land zouden beginnen. Een dag later bleek Handke weer thuis te zijn, in Chaville bij Parijs. Onlangs vergeleek hij het lot van de Serviërs met dat van de joden in de Tweede Wereldoorlog. Uit kritiek op Duitsland dat de NAVO-aanvallen ondersteunde, stuurde hij vorige week de literaire Büchnerprijs terug.

Handke's ferme taal en gebaar hebben een voorgeschiedenis, teruggaand tot in de jaren zestig. Hij deed toen de befaamde uitspraak: ,,Als het poëtische en het politieke toch eens één konden zijn.''

Dat was mooi, bijna een droom: poëzie als een politieke daad, politiek als poëzie. In 1994 maakte Handke met Servische vrienden een reis door Servië. Hij wilde het land zuiveren van alle blaam; de Serviërs waren geen moordenaars, verkrachters en vertrappers van het menselijk recht. Dat stigma hadden de kranten met hun redacties bestaande uit `Kriegshunde' op hun geweten. Handke keerde terug met een dichterlijke tekst: Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina. De ondertitel luidde pamflettistisch: Gerechtigkeit für Serbien. In 1996 schreef hij een vervolg: Sommerlicher Nachtrag zu einer winterlichen Reise. De auteur bezong de Serviërs als de vredelievendste mensen op aarde.

Het verbijsterende aan die teksten is niet Handke's poging de Serviërs van elke schuld vrij te pleiten, maar zijn volstrekte blindheid voor het oorlogsgeweld. Handke heeft slechts oog voor zwierige ochtendnevel tegen bergflanken, voor landschappen, een sneeuwvlokje, de kleur van honing. Het motto dat hij aan Sommerlicher Nachtrag... meegaf is onthullend: ,,Es war im Sommer, und die Morgenstunde war schön, und die Bäume waren grün, und die Wiesen waren bedeckt mit Gras und Blumen.'' De sensibele Handke ziet de verscheurde wereld van het voormalige Joegoslavië door een zacht, groen waas. Nee, daar in die `Wiesen' zijn geen moordenaars. Het schuldige Servië is zijn sprookjesrijk van feeën.

Hoe rijk klonk eertijds niet Handke's uitspraak over de eenheid van het politieke en poëtische. In Amsterdam werd zelfs een Handke/ Weiss-toneelgezelschap opgericht dat gehoor gaf aan deze leuze en politiek theater bracht. Met natuurlijk poëtische middelen.

Na lezing van Eine winterliche Reise... en Sommerlicher Nachtrag... ben ik ervan overtuigd geraakt dat het politieke en poëtische nooit één kunnen worden. Sterker, die uitspraak is onzin, een misvatting. Elke nieuwe oorlogsdag stelt de dichterlijke Handke in politiek opzicht in het ongelijk. Ook zijn boeken voldoen niet aan zijn ideaal poëzie en politiek tot één te smeden. Poëzie is geen politieke daad en zal dat nooit worden. De wreedheid van de politiek bewijst het.