Onroerend goed

Degenen die het geluk hebben gehad, hun vakanties aan zee door te brengen, weten wat het betekent: het bouwen van een fort en nog meer, een zandkasteel. Als je een fort maakte, wist je dat het tot de ondergang gedoemd was. De golven van de vloed zouden het tenslotte winnen, hoe fanatiek je je bouwwerk ook verdedigde. Dat was geen oorzaak van verdriet. Het ging erom, de strijd tegen het water zo lang mogelijk vol te houden. Maar met een zandkasteel was het anders. Hoe meer je je best deed op de muren, kantelen, de torens, het donjon en de hoofdpoort, hoe sterker je het gevoel kreeg dat je, zoniet voor de eeuwigheid, dan toch in ieder geval voor de volgende dag bouwde. Je rekte de middag. Zo laat mogelijk ging je naar huis, draaide je nog één keer om en wierp een blik op je meesterwerk. De volgende ochtend - dat was een absolute zekerheid - waren de vandalen al geweest, met twee voeten tegelijk in het bouwwerk gesprongen, en dit zo vaak tot er alleen een heuveltje was overgebleven. En als je in een omgeving woonde waar je hutten kon bouwen van plaggen en takken: precies hetzelfde. Het weerhield je er niet van, opnieuw kastelen en hutten te bouwen.

Misschien heb ik hierdoor een weerzin tegen verwoesters gekregen. Een maand of wat geleden had het televisienieuws een filmpje uit België. In een mooie streek had de ene miljonair na de andere een landhuis laten bouwen, zonder vergunning, illegaal. Het werd ontdekt, de Belgische justitie was in een genadeloze bui, en stuurde de `knabbelaars' erop af. Dat zijn de werktuigen waarmee in vredestijd huizen worden verwoest. Het was een verschrikkelijk gezicht: prachtige huizen te zien slopen, alleen omdat ze `illegaal' waren. Per villa had je er gemakkelijk dertig Bosniërs of nu Kosovaren in onder kunnen brengen. En afgezien daarvan: voor de miljonair is het natuurlijk geen pretje. Behalve in zijn woongenot wordt hij vooral in zijn portemonnee getroffen. Maar er zijn een jaar of langer metselaars, timmerlui, architecten aan het werk geweest. Ze worden in de tijd van hun leven geraakt, want hun bouwwerk is er niet meer. De Palestijnen die hun huizen op verkeerde grond hebben gebouwd en dus hun metselwerk onder de Israelische bulldozers zien verdwijnen, idem. Overgebracht naar de literatuur staat het gelijk met boekverbranding. Overgebracht naar de computer is het alsof er iemand opzettelijk op de toets delete heeft gedrukt nadat je je werk af had. Ik denk dat er, politiek en zielkundig bezien, weinig middelen zijn waarmee zoveel haat wordt gekweekt. En radeloosheid.

Zo kom ik op Belgrado. Want als er iets mede uit onze naam en op onze kosten wordt verwoest, willlen we graag weten hoe zo'n object eruit ziet, dunkt mij. Van Belgrado wist ik weinig. In de oorlog (die van 40-45) stemde ik 's avonds tegen een uur of tien af op de Soldatensender Beograd, want dan werd Lili Marlene gedraaid, het universele liedje uit die tijd. Veertig jaar later kwam ik met de trein door de stad. Er stapte een man in die zich bekend maakte als een Servische schilder en tekenaar. `Mag ik uw portret tekenen?' vroeg hij. Zo'n aanbod mag je nooit afslaan, al kun je het resultaat met huiver tegemoet zien. Na een uur was hij klaar. Ik zag mijzelf, ik was het, duidelijk, maar ook weer niet. Dit was ook het portret van een partisaan, guerrillero uit de bergen. Hij had me getekend zoals hij gewend was, zijn landgenoten te tekenen. Allemaal vervaarlijke kerels, dacht ik toen. Zo zag de kunstenaar er trouwens zelf ook uit.

Toen begon de oorlog in Bosnië. Boerderijtjes, de brug in Mostar, moskeeën, het werd allemaal in ruïne veranderd. Maar hoe weerzinwekkend ook, het kwam gelukkig niet door ons. En nu Kosovo, weer boerderijtjes, nog meer dan in Bosnië, en allemaal levenswerken. Degenen die dat doen zijn krankzinnig, dacht ik, en dat denk ik nog. Maar wat te denken van het politiebureau in Belgrado, de bruggen, fabrieken, de olieraffinaderij, nog meer kunstwerken die in jaren zijn opgebouwd? Ik heb spijt dat ik toen niet uit de trein ben gestapt. Het had gekund, ik had er een dag kunnen rondlopen maar het regende pijpestelen.

Nu kijk in de encyclopedie. Belgrado wordt bescheiden behandeld. In de zevende druk van de WP staat nog een foto van het parlementsgebouw. In de achtste druk en in de Britannica kan er geen plaatje meer vanaf. In de loop van haar geschiedenis is de stad zestig keer veroverd en heroverd. Op 6 april 1941 de voorlaatste keer gebombardeerd, door de Duitsers. Zou het geen goed idee zijn, een paar foto's van het Belgrado van vóór `Kosovo' in de krant te zetten (en van vóór Milosevic, vanzelfsprekend), al was het maar om te weten waartoe onze bommen dienen?