Omdat het moest

De Amsterdamse politie was in meerderheid misschien niet `fout' in de oorlog maar dat wil niet zeggen dat ze `goed' was. Gefixeerd op haar eigen bureaucratische moraal en organisatie werkten de hoofdstedelijke dienders, veelal zonder wezenlijk morren, mee aan de deportatie van de tachtigduizend joden in de stad. Een nieuwe dissertatie vertelt hoe en verklaart waarom.

Een briefje aan de procureur-generaal. `Het meewerken aan het deporteren van Joden die in onze stad wonen, is steeds voor ons zeer bezwarend, maar nu we al enige avonden zelfs oude, zwakke en ongelukkige mannen en vrouwen moeten uit hun huizen halen, wordt het ons te erg. Menigeen onzer voelt het aan als een beleediging van ons Nederlandsch corps dit werk te doen te krijgen. (...) We doen het, maar vraag niet hoe.'

Was getekend: A. van der Geus, een pseudoniem. Gedateerd: 9 september 1942, de maand dat de Amsterdamse politie ruim zesduizend joden van huis haalt en helpt weg te voeren.

Hóe ze het doen, dat beschrijft de historicus Guus Meershoek uitvoerig in Dienaren van het gezag. Waaròm ze het doen, is de kernvraag van zijn proefschrift waarop hij gisteren promoveerde.

Dat de Nederlandse politie, evenmin trouwens als andere ambtenaren, geen reden heeft trots te zijn op haar houding tijdens de bezetting, was al bekend. De standaardwerken van De Jong en Presser laten geen twijfel dat zij zich door de Duitse autoriteiten als instrument heeft laten gebruiken bij de vervolging van joden. Daarbij wordt vaak aangehaald hoe gelukkig de Duitsers met de samenwerking waren: zonder de Nederlandse politie was het ons nooit gelukt zoveel joden weg te voeren. En altijd doen ze moeite om ook enkele goede daden van individuele politie-agenten te noemen. De bladzijden zijn niet allemaal zwart.

Meershoek gaat nu echter veel dieper dan de onderzoekers voor hem. Hij heeft toegang gekregen tot het archief van de Amsterdamse politie, heeft dagboeken tot zijn beschikking en heeft, in de afgelopen paar jaar, ruim twintig ooggetuigen en betrokkenen gesproken, onder wie veel politiepersoneel. Het resultaat is een uitputtend en genuanceerd boek, waarin de beschrijving mij belangrijker voorkomt dan de verklaring. Het hoe wordt duidelijker dan het waarom.

Wohl und glatt, Eerst het hoe.

De eerste keer dat de Amsterdamse burgemeester De Vlugt kennismaakt met het hoogste gezag in bezet Nederland, in dit geval de vertegenwoordiger van rijkscommissaris Seyss-Inquart, vraagt hij expliciet naar diens bedoelingen met de joden. Wees gerust, zegt de man, voor ons bestaat er in Nederland geen joods vraagstuk. Drie maanden later geeft de rijkscommissaris alle gemeentebesturen de opdracht een lijst op te stellen van joodse ambtenaren.

De gemeente Amsterdam doet geen enkele poging onder deze opdracht uit te komen en legt haar 25.000 ambtenaren zonder toelichting de Ariërverklaring voor. Drie personeelsleden weigeren te tekenen. Alle 2.400 politiemensen zetten hun handtekening. Ex-wachtcommandant Duisterwinkel vertelt Meershoek in 1990: `Het gekke is dat niemand op de gedachte was gekomen om te weigeren die verklaring te tekenen.' En hij zegt erbij dat iedereen het verschrikkelijk vindt als een joodse collega na zijn ontslag zijn spullen komt inleveren op bureau Warmoesstraat.

Verder dan de Ariërverklaring wil de politie in haar gedienstigheid jegens de bezetter vooralsnog niet gaan. Dat zij deugt, bewijst zij door waar het kan op te treden tegen NSB'ers, door zich om te draaien als de Schutzpolizei voorbijmarcheert of door vriendinnetjes van Duitse militairen op te pakken. `Bloedlink', zegt een andere agent achteraf tegen Meershoek, `maar het is een tijd een sport geweest.'

Deze balorigheid duurt tot de Februaristaking van 1941. Meteen na het neerslaan van deze `volksoploop' (Meershoek) wordt het Amsterdamse college van B&W en de hoofdcommissaris van politie ontslag aangezegd. De nieuwe burgemeester wordt Edward John Voûte, de nieuwe korpschef Sybren Tulp. Een jaar later zijn zij, aldus Meershoek, `de hoogste Nederlandse bestuurders die leiding gaven aan een apparaat dat meewerkte aan de wegvoering van de joden'.

Witte raaf

De wisseling van de wacht is een keerpunt. Voûte en Tulp staan persoonlijk sympathiek tegenover de nieuwe orde in Europa. Wat dat voor de houding van de Amsterdamse politie betekent, beschrijft Meershoek aan de hand van reacties op twee Massnahmen. De eerste is het voornemen om in Amsterdam een getto in te richten, januari 1941. Toenmalig burgemeester De Vlugt is tegen. Ook de politie is niet coöperatief. Gevolg daarvan (en van de verdeeldheid bij de Duitsers) is dat het plan niet wordt uitgevoerd. Als hoofdcommissaris Tulp in de zomer van 1942 hoort dat zijn korps moet helpen bij het ophalen der joden, meldt hij politiechef Rauter: `Hier in Amsterdam geht alles wohl und wir sind fertig zu einer glatten Durchführung der Judenmassnahmen.'

Op zondag 5 juli 1942 brengen Amsterdamse agenten voor het eerst aanzeggingen bij joden, dat zij zich moeten melden voor tewerkstelling in Duitsland. Als deze methode niet genoeg joden oplevert, komt er een nieuwe aanpak. `De agenten moesten de oproepen aan de joden uitreiken, hun alleen de tijd geven om een koffer te pakken en hen dan meenemen naar een bureau of posthuis.' Een inspecteur verklaart na de oorlog: `Omdat het toch niet tegengehouden kon worden, besloot men de opdrachten aan te nemen om zoodoende dit werk zoo soepel mogelijk uit te kunnen voeren.'

Twee inspecteurs, die de eerste nachten niet hebben meegewerkt, maken de ophalers verwijten. Zijzelf zouden zo'n opdracht nooit aanvaarden. Als dit de korpsleiding ter ore komt, worden de desbetreffende inspecteurs meteen ingeroosterd. Een van de inspecteurs, Jan van den Oever, volgens Meershoek `tot dan toe in het korps weinig op de voorgrond getreden', houdt na overleg met zijn vrouw voet bij stuk – ondanks `bijzonder grote druk' van collega's – en wordt ontslagen. De ander, volgens Meershoek `een ontwikkelde, redelijke man', trekt na een gesprek met zijn superieur zijn bezwaren in en helpt voortaan mee.

Hierbij moet worden vermeld dat L. de Jong in heel Nederland niet meer dan drie politiemensen telde die bij voorbaat deze opdracht weigerden uit te voeren.

Makkelijk is het voor de politie niet, laat Meershoek zien. `Publiek, dat van enige afstand toekeek, maakte geregeld met geschreeuw zijn woede kenbaar' en `zo nu en dan sprong een jood bij hun komst uit het raam, iedere avond troffen de agenten families aan die zich van het leven hadden beroofd door bijvoorbeeld de gaskraan open te draaien'. Toch deden zich onder de agenten niet meer dan `kleinschalige revoltes' voor. Zo meldt een agent kort na de oorlog dat een collega zich bij het ophalen `zo overstuur maakte dat hij zonder meer op de Grüne Polizei wilde schieten. Hij is toen door collega's maar naar huis gebracht'.'

Voor het overige — alles wohl en glatt.

Des te indringender de vraag naar het waarom. En dan niet zozeer het waarom van de uitwassen. Zoals het bureau Inlichtingendienst onder leiding van Douwe Bakker, waar `de jongens zitten mee te zingen' als de radio Duits militair succes meldt. En het Bureau Documentatiedienst, waar `een jodenman met een stoel op zijn hoofd (werd geslagen) dat de hersens aan het plafond zaten.' Of het Bureau Joodsche Zaken, waarvan medewerkers zich verrijkten door diefstal uit de woningen van joden. Dat zijn gevallen van openlijke collaboratie, door mensen die vaak lid waren van de NSB of aanverwante organisaties. Na de oorlog bleken dat er niet meer dan 196 te zijn. Het leeuwendeel van het korps had een hartgrondige hekel aan deze collega's. Net als aan het Politiebataljon Amsterdam, een gekazerneerde eenheid die naar Duitse inzichten waren opgeleid in Schalkhaar, met behalve jiu-jitsu ook rassenleer en heemkunde op het programma.

Waarom hielp het hele korps dan toch – `met tegenzin maar nauwgezet' in de woorden van Meershoek – mee aan de vervolging van de tachtigduizend Amsterdamse joden? Wat deed de doodgewone diender, die voor de oorlog erop toezag dat huisvrouwen hun matten alleen klopten tussen zeven en acht uur 's ochtends, maar nu bij doodgewone burgers aanbellen met de mededeling: `Neem maar het hoogstnodige mee en een beetje voortmaken'?

Meershoek maakt een wijde beweging bij het zoeken naar een verklaring. Hij begint bij het Jordaanoproer van 1934 en eindigt bij de Bouwvakkersrellen in 1966, om aan te tonen dat de bereidwilligheid van de politie tussen '40 en '45 te maken heeft met de onduidelijke gezagsverhoudingen die vanaf 1934 het politiebestel beheersten. Het Amsterdamse politiekorps, schrijft hij, werd `uit haar bestel gelicht' en `naar Duitse doeleinden gericht'. Na het Jordaanoproer werd de leiding van het korps gecentraliseerd, de verantwoordingsplicht voor politie in de gemeenteraad gestaakt en de individuele agent door de leiding strenger gecontroleerd. Dat is het klimaat waarin de steeds scherpere anti-joodse maatregelen tijdens de bezetting ruim zes jaar later kunnen gedijen. De `confrontaties met de bezetter' dwingen het korps schoksgewijs tot gehoorzaamheid, volgens Meershoek. Zeker als de superieuren één lijn trekken. Zo heeft het korps tenslotte `zich het richtingsgevoel eigen gemaakt dat ten grondslag lag aan de vernietiging van joden in Europa.'

Het getrek en geduw van bestuur en politiek aan de politie, met als inzet de zeggenschap over het gezag, is in deze jaren alomtegenwoordig, zo valt uit Meershoeks boek op te maken. Maar om nou te stellen dat `het gefragmenteerde politiebestel een gezamenlijke opstelling van de gezagsdragers tegenover de bezetter' verhinderde? En dat dit `zelfs de eigen ondergang in de hand' werkte? Ik snap in ieder geval niet dat hij uit die worstelpartij – tussen Justitie, ministers, burgemeesters en later alle verschillende Duitse autoriteiten en autoriteitjes – zo'n eenduidige richting kan destilleren. Meershoek schrijft zelf dat `in Amsterdam het ontbreken van een wettelijke regeling voor het gezag over en het toezicht op de politie niet ervaren (werd) als een probleem.'

Twee dingen vallen op in Meershoeks beschrijving van de politie, die volgens mij wel een afdoende verklaring bieden. In de eerste plaats is zij ten diepste a-politiek. In alle opzichten. Een politieman die in verkiezingstijd de rode vlag uithangt `is nooit wat geworden bij de politie', aldus een collega. Aan de andere kant van het spectrum staat Douwe Bakker, die in mei 1942 in zijn dagboek noteert: `Bij de politie staan de kansen voor ons nationaal-socialisten blijkbaar zeer slecht'. De korpsleiding hanteert de stelregel: de politie moet buiten de partijstrijd blijven.'

Geen zorgen

Die a-politieke houding is ook een eerste wezenskenmerk van de individuele ambtenaar geworden. Dat blijkt al voor de oorlog, als agenten de uitzetting van vreemdelingen (voornamelijk Duitsers) beschouwen als `een dagje uit': lekker een eigen eerste klas-coupé en als het rijke vluchtelingen waren, boden ze de begeleidende agent altijd wel een sigaar aan. Geen spoor van bekommernis over wat er achter de grens met hen gebeurt.

Een voorbeeld uit de oorlog: als de overtuigd-collaborerende chef van het bureau Joodsche Zaken in oprichting een agent vraagt of hij bij dit bureau wil komen werken, en wat hij over het joodse vraagstuk denkt, antwoordt deze: `Die mensen lopen mij niet in de weg, meneer.' De opmerking is goed bedoeld en afkomstig van een `goede'(in de zin van `niet-foute') politieman. Maar het verhindert hem niet, zich toch te laten detacheren bij bureau Joodsche Zaken en er, op advies van zijn commissaris, `van maakt wat er van te maken viel'.

Of neem commissaris Staal. Die maakt zich druk over het feit dat het Politiebataljon Amsterdam bij zijn opleiding de Duitse paradepas moet leren. Maar hij neemt zonder morren driehonderd joden in gijzeling, als vergelding voor een bomaanslag.

Tweede wezenskenmerk van de ambtenaren is dat zij voortdurend bezig zijn met hun eigen organisatie. Zowel wanneer het om kleine machtsverschuivingen gaat – een aantal mensen ziet elke nieuwe toestand als een gelegenheid om promotie te maken of eigen ideeën door te drukken – én wanneer het om de dagelijkse gang van zaken gaat. Veel belangrijker dan wie de baas is in Nederland, is de vraag wie de baas is van het korps.

Slimme nazi

Begin 1941 wordt oud-KNIL-militair kolonel Sybren Tulp die baas van het korps. Hij heeft uitgesproken sympathie voor de Duitsers. Maar hij wordt op handen gedragen door zijn mannen. Juist omdat hij geen enkele poging doet het korps de nazi-ideologie op te dringen en intussen wel als een vader voor zijn dienders staat. Agenten die in de knoei dreigen te komen doordat zij bij een opstootje rake klappen hebben uitgedeeld aan WA-leden, pleit hij vrij en hij geeft hun een gratificatie bovendien. `Onvoorstelbaar slim', zegt Tulps adjudant na de oorlog tegen Meershoek.

Door zijn populariteit en zijn aanwezigheid bij het uit huis halen van de joden, geeft hij zijn ondergeschikten het idee dat ze moeten gehoorzamen. Hoewel ze wel beseffen dat het niet deugt, getuige de inspecteur die een collega toesist: `Als de oorlog is afgelopen moet hij geëxecuteerd worden, maar wèl met een gouden kogel'.

Met Tulp, schrijft Meershoek, `beschikte het politiekorps over een chef die in reactie op de abrupte Duitse interventie zelfstandig ging ijveren voor de doorvoering van maatregelen, die de schok implementeerde in de organisatie van het korps'. Als Tulp in oktober 1942 reuma krijgt en diezelfde maand nog overlijdt, is het dan ook snel afgelopen met de inzet van gewone dienders. Zijn opvolgers blijken `het benodigde overwicht over het personeel te missen'.

Dienaren van het gezag is in die zin de best denkbare titel. Ambtenaren dienden het gezag. In iedere vorm waarin het zich aandiende. Bij elke maatregel die het gezag aankondigde. Mits het hun op de juiste manier en vooral door de juiste man werd gevraagd. Burgemeester Voûte had er maar twee woorden voor nodig: `Het moet'.

Is het, gezien die twee wezenskenmerken van de organisatie, een wonder dat de naoorlogse zuivering blijft steken? De 196 politiek-collaborerende agenten moeten worden bestraft (want een goede ambtenaar is a-politiek), evenals degenen die zich niet aan de toenmalige regels hielden (want een goede ambtenaar houdt zich aan de regels). Dus wie een jood uit zijn huis haalde en op transport stelde, gaat vrijuit. Wie uit diens huis wat sigaretten meejatte, krijgt een douw. `Zorgvuldig vermeed men de problematiek van misdrijven die op dienstbevel waren gepleegd', schrijft Meershoek.

Even nauwgezet, en misschien met wat minder tegenzin, houdt het Amsterdamse politiekorps zich aan het eerste dienstbevel na de bevrijding: `Gij hebt wat goed te maken, wil de fatsoenlijke en eervolle reputatie, waarin wij ons zoozeer verheugden, terugkeeren.'

Guus Meershoek: Dienaren van het gezag. De Amsterdamse politie tijdens de bezetting. Van Gennep, 488 blz. ƒ49,90