Niger: soldaten, politici en nomaden

Niger is gewend geraakt aan coups. De politieke geschiedenis van dit Sahelland is een estafette van burgers en militairen, die zijn gewikkeld in een moeizame strijd om de verdeling van de armoede.

Toen een journalist generaal Ibrahim Maïnassara Baré in 1997, een jaar nadat hij de macht had overgenomen in het West-Afrikaanse Niger, vroeg wat hem als staatshoofd het meest dwars zat, zei hij: ,,Politici die niet uitstijgen boven hun persoonlijke belang en zich niet wijden aan hun historische missie: de opbouw van een sterke, geloofwaardige natie.'' Baré was een militair van de oude school, die vindt dat het landsbelang bij politici niet in goede handen is. In de buurlanden Burkina Faso en Mali heeft die school afgedaan en Baré moest zijn vete met de politici vorige week met de dood bekopen.

Sinds Niger in 1960 onafhankelijk werd van Frankrijk hebben twee generaties militairen burgerregeringen aan de kant gezet. Intussen zijn de strijdkrachten verdeeld geraakt en nu gaan de officieren elkaar te lijf. Op vrijdagmorgen 9 april begingen leden van de presidentiële garde onder leiding van majoor Daouda Malam Wanké een doodzonde tegen de militaire korpsgeest en discipline: zij schoten hun hoogste superieur dood en grepen de macht.

De moord op Baré is alom in de wereld veroordeeld, maar Niger zelf lijkt te berusten. Majoor Wanké en zijn militaire Raad voor nationale verzoening (CRN) hebben zich verzekerd van brede politieke steun, zowel van de coalitie rond de vermoorde president als van de partijen die oppositie voerden tegen diens bewind. Desgevraagd verzuchtte een Baré-aanhanger in het inmiddels ontbonden parlement: ,,Wat kun je uitrichten tegen het leger?''

Dat de politieke elite van Niger wil samenwerken met Wanké en dat diens junta heeft beloofd zich na negen maanden uit de politiek terug te trekken, is geen garantie voor beter bestuur. De politiek in dit straatarme Sahelland is nog steeds het exclusieve domein van stedelijke belangengroepen. Politici hebben zich nooit veel aangetrokken van de meerderheid (90 procent) die leeft in de brousse, het onder stedelingen gangbare scheldwoord voor het Niger van de dorpen. Bijna veertig jaar na de onafhankelijkheid kan nog maar 16 procent van de volwassen Nigerezen lezen en schrijven en op het platteland ontbreken de meest elementaire voorzieningen. In verkiezingstijd duiken terreinwagens met airconditioning op in de dorpen. Dan laat de chef een geit slachten en vertellen de heren uit de stad dat men op de grote dag het hokje moet aankruisen achter hun partijsymbool. Zulke tournees laten slechts een stofwolk achter.

In het verleden bleken burgerpolitici niet in staat tot een adequate verdeling van de schaarse publieke middelen. In de jaren 1968-1974, tijdens het een-partijbewind van president Hamani Diori, beleefde de Sahel een langdurige periode van droogte, die de weidegronden van de noordelijke nomaden verschroeide en bijna de hele veestapel uitroeide. Internationale organisaties richtten kampen in voor hongerende nomaden en stuurden voedselhulp. Die werd niet uitgedeeld aan de bevolking, maar tegen woekerwinsten verhandeld door ambtenaren en ministers. Op 15 april 1974 zette luitenant-kolonel Seyni Kountché, de toenmalige chef-staf van de strijdkrachten, de regering-Diori opzij. Kountché ontbond de politieke partijen en pleegde ook een economische coup: hij verhoogde het Nigerese staatsaandeel in de door Fransen gecontroleerde uraniummijnen van 17 tot 33 procent. Met de extra inkomsten liet hij wegen aanleggen. Geholpen door het einde van de droogte, beleefde Niger een opmerkelijk economisch herstel en binnen enkele jaren voorzag het land zelf in zijn voedselbehoefte.

In de jaren tachtig kreeg Niger echter te kampen met een nieuwe periode van droogte, een kelderende wereldmarktprijs voor uranium en een opstand onder de noordelijke Toeareg. Die werd heimelijk aangewakkerd door Gaddafi's Libië, dat aasde op uraniumreserves in het grensgebied. Het Internationale Monetaire Fonds dwong bezuinigingen af die hard aankwamen in de steden en aan het begin van de jaren negentig stortten hevige onlusten het land in een politieke crisis.

Kountché's door hemzelf benoemde opvolger, kolonel Ali Saïbou, belegde in 1991 een nationale conferentie die in 1993 uitmondde in verkiezingen met meerdere partijen. Mahamane Ousmane, jarenlang dé voorvechter van terugkeer naar democratie en burgerbestuur, werd president. Na de overwinning van de oppositie bij de parlementsverkiezingen van 1995 moest hij de macht echter delen met een politieke tegenstander, premier Hama Amadou. Deze cohabitation van burgerrivalen leidde tot een verlammende machtsstrijd, waarbij de president en de premier voor elkaar arrestatiebevelen uitschreven. Op 27 januari pleegde de chef-staf van de strijdkrachten en een gewezen adjudant van Kountché, kolonel Ibrahim Maïnassara Baré, een staatsgreep. Hij gaf de kemphanen Ousmane en Amadou huisarrest en liet hen voor de televisie hun `fouten' opbiechten.

Baré schreef in juli 1996 presidentsverkiezingen uit die hij zelf won met 52 procent van de stemmen, een uitslag die in binnen- en buitenland in twijfel werd getrokken. Tot de verdiensten van zijn driejarige bewind behoren de integratie van voormalige Toeareg-rebellen in het leger en een normalisering van de betrekkingen met het IMF, die tijdens de Nationale Conferentie van 1991 waren verbroken. Dat leverde nieuwe leningen, maar ook nieuwe, harde voorwaarden op. Overheidssalarissen slokken in Niger bijna het hele nationale budget op, zodat er nagenoeg niets overblijft voor investeringen, die worden gefinancierd door buitenlandse donoren. Onder Baré's bewind moesten ambtenaren, onderwijzers en soldaten het regelmatig zonder loon of wedde stellen. De generaal-president verweet de 40.000 overheidsdienaren dat ze ,,liever hun leven lang in een kantoor papieren omdraaien dan risico's te lopen en voor zichzelf te beginnen''.

Maar de fonctionnaires beschikken over sterke vakbonden en politieke steun. Een besluit om 2.000 ambtenaren met vervroegd pensioen te sturen, leidde begin april tot protestacties. Baré noemde die ,,onverantwoordelijk'' en verweet de oppositie stakingen aan te moedigen. Een rel rond de gemeenteraadsverkiezingen van februari, die de oppositie won, deed de politieke temperatuur oplopen. Op 6 april verklaarde het Hooggerechtshof een deel van de uitslag ongeldig. De oppositie beschouwde dit als een oorlogsverklaring en eiste op 8 april het vertrek van Baré. De volgende morgen werd de president doodgeschoten door leden van zijn eigen garde.

De motieven van majoor Wanké en de zijnen blijven duister; de kennelijk zorgvuldig voorbereide moord zou een ,,ongeluk'' zijn geweest. Wanké (45) behoort net als Baré tot het Hausa-volk, doorliep dezelfde krijgsscholen in Madagascar en Frankrijk, hielp de generaal bij de coup van 1996 en werd door Baré aangesteld als commandant van de presidentiële garde. Voor een dergelijk verraad moeten sterke motieven in het spel zijn. Het staat wel vast dat er in het leger sympathie leeft voor de oppositie. Misschien heeft de relatief jonge Wanké, die 16 jaar in het buitenland doorbracht, gebroken met de oude school, die burgerpolitiek zag als schadelijk voor het landsbelang. De `overgang' gaat negen maanden duren, zegt de junta. Dan moet blijken of zowel de militairen als de politici hun leven hebben gebeterd.