Liever bommen gooien dan fouten toegeven

Sinds de Sovjet-Unie ineen is gestort en uit elkaar gespat heeft een enigszins simplistisch triomfalisme een aantal historici en commentatoren in het Westen in de greep. `Het Westen heeft de Koude Oorlog gewonnen' of `het Westen had gewoon gelijk', kan men horen. Maar zo eenvoudig is het niet. De Koude Oorlog heeft niet alleen in de Sovjet-Unie maar ook in het Westen geleid tot een groot aantal verkeerde inzichten, die weer resulteerden in bloedige conflicten, ondemocratische interventies en onnodig gevaarlijke situaties. De Amerikaanse diplomaat George Kennan – op wiens artikel in het tijdschrift Foreign Affairs in 1947, over de noodzaak Stalins expansiedrang met vastberaden Amerikaanse actie tegen te gaan, de Koude Oorlog gebaseerd was – was niet voor niets al vanaf het einde van de jaren veertig een tegenstander van de krampachtige militarisering van deze tegenactie. Hij beschouwde de rode uitdaging meer als een politiek ideologische en keerde zich tegen de consequente overschatting van het militaire Sovjet-gevaar.

Nu de archieven in beide kampen voor een groot deel toegankelijk zijn geworden en zijn doorgekamd door voortreffelijke historici lijkt Kennans gelijk onloochenaar. Het Westen had een tegenstander met ideologische en politieke aantrekkingskracht. Militair en economisch kon hij niet aan het Westen tippen. De paranoïde veiligheidsmanie van Stalin en in mindere mate van zijn opvolgers, die zich op de binnenlandse situatie en op de kring van landen rondom het Sovjet-rijk richtte, was daarom minder onbegrijpelijk dan velen in het Westen meenden. Zij werd onbedoeld door het primair militaire antwoord op Moskous daden vaak nog versterkt.

Ellende

De obsessie in Washington over militair-strategische Sovjet-expansie leidde in de Koude Oorlog tot een hele serie interventies, CIA-operaties en bewapeningsgolven die heel wat ellende hebben gebracht. De inmenging in Guatemala in 1954, die resulteerde in een eindeloze bloedige burgeroorlog kwam er uit voort. Het hysterische contraproductieve beleid tegenover Cuba met invasies in de Cubaanse Varkensbaai in 1961 en in de Dominicaanse Republiek in 1965, de CIA-inmenging in Chili die de gekozen president Allende het leven kostte ook. Met als dieptepunt de interventie in Vietnam. In al deze gevallen zag de meerderheid van de besluitvormers in Washington de Sovjet-expansie als gevaar voor de Amerikaanse veiligheid. Voor de merites van de interne politieke situatie in de verschillende landen, waar men het rode gevaar wilde bestrijden, was men over het algemeen blind. In de VS was het Koude Oorlogsbeleid, dat na de dood van Roosevelt onder president Truman geboren werd, decennia lang in handen van leden van het `East Coast Establishment' die stamden uit de traditie van Henry Stimson, een Republikein die van 1911 tot 1913 én van 1940 tot september 1945 minister van Oorlog was. In de tussenliggende periode had Stimson een belangrijke stem in de discussie over de rol van de VS in de wereld. Stimson was het tegendeel van een isolationist: hij was vóór nauwe samenwerking met de Volkenbond en bepleitte een interventionistisch beleid ter bevordering van Amerika's belangen in de wereld. Uit zijn school kwamen de `Cold War Liberals', de Koude Oorlogsrakkers die weliswaar in het binnenlands beleid gematigd progressief waren maar tegelijkertijd vonden dat de VS uit veiligheidsoverwegingen overal ter wereld communistische expansie moesten tegengaan, zonodig met militaire middelen. Hun schrikbeeld was een herhaling van `München', de stad waar de Britse premier Chamberlain in 1938 tevergeefs gepoogd had militaire agressie van Hitler te voorkomen door toe te geven.

Vietnam

De broers William en McGeorge Bundy (geboren respectievelijk in 1917 en 1919) behoorden bij uitstek tot deze Cold War Liberals. Kai Bird, auteur van het uitstekende The Chairman: John McCloy, the Making of the American Establishment (1992), beschreef hun beider levens in een dubbelbiografie: The Color of Truth. McGeorge Bundy and William Bundy, Brothers in Arms. Hij maakte daarbij gebruik van allerlei pas kort geleden toegankelijk geworden archiefmateriaal en van papieren die de Bundys en tijdgenoten hem ter beschikking stelden. Het resultaat is een fascinerend boek over twee figuren die weliswaar geen protagonisten waren op het wereldtoneel, maar toch een essentiële rol speelden in Amerika's buitenlandse beleid in de jaren zestig.

McGeorge was de speciale adviseur voor nationale veiligheid van de presidenten Kennedy en Johnson (de functie die Henry Kissinger later onder Nixon jarenlang bekleedde). William, schoonzoon van Trumans minister van Buitenlandse Zaken Dean Acheson, behoorde in dezelfde periode tot de topgroep van beleidsmakers in het Pentagon en het State Department. Hoofdthema en dieptepunt van hun carrières: het drama in Vietnam.

Kai Bird laat merken dat hij als student in de jaren zestig de Bundys verafschuwde. Maar hij is kennelijk gefascineerd geraakt door de twee hoogst intelligente jongens uit Bostons aristocratie, wier levens een permanente spanning te zien gaven tussen scherp inzicht en blinde loyaliteit, tussen mateloze arrogantie en sympathieke maatschappelijke denkbeelden. Zijn boek is dan ook met veel inlevingsvermogen geschreven. Het vaak kritische beeld dat hij van de broers schetst is uiteindelijk zeer genuanceerd. Vaak té genuanceerd naar mijn smaak.

Want als het er echt op aankwam deugden de hoge overheidsdienaren Mac en Bill Bundy niet. Steeds kozen zij voor de middenweg, voor de aanpassing aan de geldende norm, voor loyaliteit tegenover de gevestigde orde ten koste van de waarheid en hun eigen overtuiging. Niet zozeer uit lafhartigheid, zoals Kai Bird suggereert, maar eerder uit een diep gewortelde hooghartigheid, waardoor zij zichzelf altijd definieerden als horende bij de leidinggevende en machtige kringen. Een individuele rebel mochten zij nog wel eens tolereren, maar zijn kant kozen zij nooit. De waarheid kon in hun ogen niet liggen bij mensen die de gevestigde orde ondermijnden, bij studenten en hun professoren, bij opstandelingen in de jungle of ander onoverzichtelijk volk. Het was een arrogantie die hun van kind af aan was bijgebracht in een ouderlijk huis waar de machthebbers van Amerika in en uit liepen en op de kostschool Groton, waar de befaamde ijzeren anglofiele puritein Peabody zijn pupillen drilde in gehoorzaamheid en rigide protestantisme. Op Groton floreerden de Bundys en kregen zij alle belangrijke baantjes, een patroon dat zich op de Yale Universiteit herhaalde.

McGeorge, de prominentere Bundy later, liet al zien uit welk hout de broers gesneden waren toen hij in 1947 als ghostwriter voor Stimson een artikel voor Harper's schreef, waarin de beslissing atoombommen op Hiroshima en Nagasaki te gooien werd verdedigd. Stimson had steeds `misgivings' gehad over dat besluit. Vrede met Japan stond voor de deur. Als Truman meteen akkoord was gegaan met het behoud van de keizer had de oorlog beëindigd kunnen worden voor het afwerpen van de atoombommen, die voornamelijk vrouwen, kinderen en ouden van dagen vermoordde. Maar het State Department was voor het gebruik van het nieuwe wapen omdat het Amerika's suprematie, vooral tegenover de Sovjet-Unie, graag benadrukt zag.

Arrogante minachting voor mensen met afwijkende opvattingen – dat kenmerkte McGeorge en in mindere mate zijn twee jaar oudere broer Bill ook in hun optreden ten tijde van Kennedy en Johnson. Mac was betrokken bij een serie debacles als veiligheidsadviseur van de president. Hij steunde uiteraard de mislukte invasie in de Varkensbaai op Cuba en ruimde door beperking van de informatiestroom twijfels bij Kennedy over de onderneming uit de weg. Voor senator Fulbright, die tegen de invasie was, voelde hij niets dan afkeer. Hij steunde nadrukkelijk Kennedy's belligerente reactie op de desastreuze Berlijnpolitiek van Moskou: het opzetten van een Bescherming-Bevolkingsbeleid naast de productie en opstelling van nieuwe intercontinentale raketten. Bundy wist dat er geen sprake was van een Amerikaanse achterstand in nucleaire bewapening, van een `missile gap', zoals de Democraten in de campagne voor het presidentschap beweerd hadden. Ook kende hij de analyse van het Foster Panel die concludeerde dat 500 kernwapens voor een afdoende afschrikking zouden kunnen zorgen. Maar Mac Bundy was nu eenmaal geen dwarsligger.

Dat waren hij en zijn broer Bill evenmin in het Vietnamdrama. Soms liepen zij zelfs vooruit op de fatale gebeurtenissen. Zo adviseerde Mac president Kennedy een divisie Amerikaanse troepen naar Vietnam te sturen. Kennedy moest er niets van weten en beperkte zich tot het sturen van meer `adviseurs'. Lyndon Johnson luisterde beter naar zijn veiligheidsadviseur en begon de militaire opbouw in Vietnam die tenslotte een half miljoen manschappen zou omvatten. In elke fase van de escalatie steunden de Bundys president Johnson. Mac tot 1966, toen hij het Witte Huis verliet en president van de Ford Foundation werd. Bill tot het aantreden van de Nixon-regering in 1969.

Daarmee werd hun verantwoordelijkheid voor het drama groot. Velen in het Witte Huis waren ervan overtuigd dat, als de Bundys in de beslissende jaren 1965 en 1966 zich tegen het escalatiebeleid hadden gekeerd en vóór onderhandelingen met het Zuid-Vietnamese Bevrijdingsfront en Hanoi hadden gepleit, zij het debacle hadden kunnen voorkomen. Zij deden dit niet, maar niet omdat zij verstokte aanhangers van het beleid waren. Op een `paper' van George Ball in oktober 1964, waarin onderhandelingen en een politieke oplossing werden bepleit, schreef Mac Bundy een uitvoerige reactie waarin hij neutralisering van Zuid-Vietnam aanvaardbaar noemde, geen gevaar zag voor Chinese expansie als Zuid-Vietnam tenslotte communistisch zou worden en de kans zelfs groot achtte dat Vietnam als buffer tegen de Chinezen zou kunnen werken. Kortom, precies wat `duiven' als de senatoren Mansfield en Fulbright, diplomaten als Ball, Harriman en Galbraith en journalisten als Walter Lippmann en I.F. Stone allang betoogden. Bill stuurde kort daarna een memorandum aan de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken, McNamara en Rusk, met een uitgewerkt voorstel hoe de VS zich aan het Vietnamese moeras zouden kunnen ontworstelen.

Koude-Oorlogsangsten

Maar dit waren de teksten van de intellectuelen-Bundy. Als er over beleid moest worden beslist, waren zij juist voor meer troepen en meer bommen, die de tegenstander naar de onderhandelingstafel moesten drijven en toonden zij zich vooral bevreesd voor de mogelijkheid dat een nieuwe regering in Saigon het met Hanoi en het Bevrijdingsfront op een akkoordje over een coalitieregering zou kunnen gooien. Dan speelden hun Koude-Oorlogsangsten de hoofdrol: als Zuid-Vietnam communistisch zou worden, zouden de VS in de ogen van Azië en Europa een vernederende nederlaag lijden met alle gevaren vandien.

Kai Bird citeert aan het eind van zijn steeds boeiende boek James C.Thompson Jr., jarenlang Mac Bundys rechterhand en diens `favoriete duif'. Thompson schreef in 1968 in The Atlantic dat de beleidsmakers in Washington Vietnam steeds gezien hadden als `a fundamental test of America's national will'. Deze mensen uit de school van Henry Stimson, aldus Thompson, geloofden dat, als wij de wil maar hadden, wij zouden winnen. En daarbij kwam, zoals David Halberstam later schreef, dat Mac Bundy (en in mindere mate ook zijn broer Bill) zoveel trots hadden, zoveel zelfvertrouwen en zo weinig talent om fouten toe te geven dat ze niet in staat waren op de oorlog menselijk te reageren. Niet de Bundys, voorbeelden van de `best and brightest` die Kennedy naar Washington haalde, kregen tenslotte gelijk in Vietnam, maar de door hen vaak met minachting behandelde `outsiders': de dwarsliggers, de Balls, de Lippmanns en de Stones, de langharige collegestudenten en veel van hun professoren en die rare donkere mannetjes in de jungle van Vietnam, die zelfs met een bommenregen groter dan in de hele Tweede Wereldoorlog niet klein te krijgen waren.

Kai Bird: The Color of Truth. McGeorge Bundy and William Bundy: Brothers in Arms. A biography. Simon & Schuster, 480 blz. ƒ65,55