Jean Hélion

Voor de eerste keer in Nederland toont de Utrechtse galerie Quintessens een retrospectief (veertig schilderijen) van de Franse kunstenaar Jean Hélion (1904-1987). Hélion bevond zich tijdens zijn leven in het gezelschap van bekende schilders als Hans Arp, Fernand Léger en Piet Mondriaan die van invloed waren op zijn ontwikkeling. In 1929 richt hij met onder anderen Theo van Doesburg de groep Art Concret op. Uit dat jaar stamt Abstraction, het oudste olieverfdoek op de expositie, waarop zwart omrande geometrische vormen al dan niet met een zachte kleur zijn ingevuld.

Langzaam aan krijgt zijn geometrische abstractie een vorm die naar de werkelijkheid verwijst. Zijn laatste abstracte schilderijen uit 1939 tonen aan hoe uit bepaalde driedimensionale figuren zijn eerste gestileerde `mannen met hoeden' ontstaan. Deze noemt hij Emile, Charles en Edouard; hij portretteert ze respectievelijk van achteren, van voren en en profiel. Trois têtes d'Edouard (1944) is een vluchtige aquarelschets waarin verschillende houdingen worden uitgeprobeerd.

Midden jaren veertig krijgen de keurige herenhoofden een lichaam erbij en gaan ze bovendien tot actie over. Op Nature morte aux porteurs de pain (1946) staan twee mannen in de deuropening. In een haast striptekening-achtige stijl lopen ze gehaast en gewapend met grote stokbroden naar buiten. Hélion schilderde ook vrouwen, zoals zijn eigen vrouw Pegeen (de dochter van Peggy Guggenheim). Pegeen dans son atelier (1954) verbeeldt een vrouw die peinzend met een penseel onder haar kin naast een man staat, van wie we via de spiegel zijn gezicht zien. De spiegel blijkt bij nadere beschouwing een doek op een schildersezel waarop dezelfde voorstelling staat afgebeeld als de scène in het atelier, maar dan in spiegelbeeld en met een iets andere kleurstelling.

De Parijse kunstwereld, waarin de abstractie in die tijd een religie was geworden, beschouwde Hélion als een overloper. Als iemand die de verworvenheden van de avant-garde heeft opgegeven voor een traditionele vorm van kunst. Het duurde tot de jaren zestig, mede dankzij de Pop Art, voordat hij verlost werd uit dit isolement. Critici die hem eerst van dwarsheid betichtten, vonden nu dat hij zijn tijd ver vooruit was.

Dat hij de figuratie (weer) hevig omarmde verbaasde Mondriaan bijvoorbeeld helemaal niet. In zijn dagboek schreef Hélion hierover: `Bij de eerste kromme lijn in een schilderij heeft Mondriaan tegen mij gezegd: `Jij bent een naturalist'. Ik heb het nooit geloofd. Maar hoezeer heeft hij het toen, in 1933, bij het rechte eind gehad!' Door het retrospectief wordt duidelijk dat er helemaal geen sprake is van een breuk in zijn werk. Op een organische manier evolueren de platte, geometrische vormen in driedimensionale figuren, welke zich weer ontwikkelen tot strak vormgegeven wezens die steeds menselijker trekken gaan vertonen. De attributen die deze mensen omringen worden steeds belangrijker, soms verdwijnen de mensen geheel uit beeld. In de stillevens of momenten uit het dagelijkse leven die dan overblijven, sluipt tegenstrijdig genoeg weer een abstractie die het gewone overstijgt.

Als Hélion nog leefde dan had een tweegesprek over zijn werk waarschijnlijk weinig aan begrip toegevoegd. Een schilder communiceert met beelden, niet met woorden.

Jean Hélion, Galerie Quintessens, Nieuwegracht 53, Utrecht. Wo-za: 12-17.00 u. T/m 3 juli