Henri Bergson: L'évolution créatrice, 1907

In 1933 schreef Paul Valéry een curieuze brief aan de filosoof Henri Bergson (1859-1941) ter begeleiding van een episch gedicht, dat een naamloze Britse kolonel had gemaakt onder inspiratie van L'évolution créatrice. Valéry schrijft zo'n epos allerminst een absurditeit te vinden, alle grote filosofie neigt tenslotte naar `poëzie'. Helaas schiet zijn kennis van het Engels tekort om de verzen te kunnen beoordelen, maar wie weet is 't `een Lucretius'.

Of de dichtende kolonel in de artillerie diende, vermeldt de historie niet. Zo ja, dan zou het pas echt mooi zijn. Want in L'évolution créatrice, Bergsons eigenzinnige interpretatie van de evolutieleer, wordt de evolutie vergeleken met een `granaat', die na te zijn afgevuurd in scherven is uiteengespat, scherven die op hun beurt ook weer in scherven zijn uiteengespat, enzovoort. Alleen aan de hand van die scherfresten was het mogelijk de oorsprong van het hele proces te achterhalen, en dat is precies wat Bergson in zijn boek heeft gedaan.

Bergson, geboren in het jaar waarin Darwins The Origin of Species verscheen, verzette zich tegen de gangbare `mechanistische' interpretatie van de evolutie. Al die verfijnde, harmonieuze organismen konden onmogelijk het gevolg zijn van een automatische – door toeval bepaalde – selectie. Maar evenmin geloofde hij in een vooropgezet plan dat punctueel werd uitgevoerd, want dat zou het hele proces reduceren tot een `mechanisme à rebours'.

Wat drijft de evolutie dan wèl? Bergson oppert: een élan vital, een oorspronkelijke kracht, waarvan de mens de sporen nog altijd in zichzelf kan terugvinden. Tussen het algehele levensproces en het menselijke bewustzijn ziet Bergson dus een frappante overeenkomst, die hem de oplossing van het raadsel suggereert. Het bestaan dat wij mensen het beste kennen, zo lezen we al op de eerste bladzijde, is immers dat van onszelf.

L'évolution créatrice (1907) werd Bergsons meest gelezen boek. Met zijn `spiritualistische' kosmologie neemt het deel aan de aanval op het negentiende-eeuwse positivisme, die het hele denken van Bergson typeert. Naast onder anderen Nietzsche, Freud en Sorel behoort hij tot degenen die rond het vorige fin de siècle het blinde vertrouwen in de analytische rede en de natuurwetenschappelijke methode hebben gerelativeerd.

Dat wil niet zeggen dat Bergson tegen de wetenschap was, hij wilde er alleen de beperkingen van aantonen. Wetenschap, drijvend op wat hij de `intelligentie' noemde, richt zich allereerst op de materie, ten einde die te kunnen manipuleren en beheersen. Wetenschap heeft daarom altijd een praktisch nut voor ogen. Daar is op zichzelf niets mis mee, tenzij men zou menen dat de wetenschap op die manier ook het leven zelf kon doorgronden. Niets was minder waar, meende Bergson.

Al in zijn Essai sur les données immédiates de la conscience (1889) had hij de `intuïtie' aangeprezen als een manier om het leven te leren kennen, die direct aansloot bij de ervaring. Het verstand daarentegen voerde, via kunstmatige abstracties, van de ervaring weg. Het duidelijkst bleek dat uit de behandeling van de tijd, die door verstand en wetenschap werd opgevat als iets ruimtelijks, keurig verdeeld in afzonderlijke segmenten. Wat zo verloren ging, was het wezen van de tijd dat bestond uit beweging en dat Bergson durée noemde. Dát is de tijd die we daadwerkelijk ervaren, een onophoudelijke stroom, en niet de afgepaste en meetbare tijd van de klok.

Introspectie leerde hem bovendien dat wij ons niet zozeer `in' de tijd bevinden, maar dat wij tijd zijn. Tijd oftewel durée impliceert een voortdurende recapitulatie van het verleden, dat door de herinnering telkens opnieuw wordt gecreëerd en daardoor de toekomst mogelijk maakt. Het beweeglijke leven dat wij zijn is een proces van continue creatie, even onherhaalbaar als onvoorspelbaar. Maar omdat het verleden nooit verloren gaat, kunnen we ons bestaan toch als een geheel blijven zien.

In L'évolution créatrice worden deze ideeën in een kosmologisch kader geplaatst. Niet alleen het menselijk bewustzijn bestaat bij de gratie van een continue creatie, hetzelfde geldt volgens Bergson voor het leven in zijn geheel. Dat dit ons het merendeel van de tijd ontgaat, is te wijten aan de misleiding door de `intelligentie' en haar kunstgrepen. Binnen het kosmologische verband weet Bergson de intelligentie haar plaats te wijzen. Zij is niets meer dan het middel waarmee de menselijke soort zich in een vijandige omgeving heeft weten staande te houden. Vandaar haar praktische aanleg én haar onvermogen het leven zelf te begrijpen.

Met de intuïtie beschikt het menselijk bewustzijn echter over een andere faculteit, die net als het dierlijke instinct direct verbonden is met het leven. De intuïtie definieert Bergson dan ook als `het instinct dat belangeloos is geworden, bewust van zichzelf, in staat om te reflecteren over zijn object en het oneindig uit te breiden'.

Zijn eigen intuïtieve filosofie levert meteen de demonstratie van dit laatste, door de hele evolutie te verklaren als een strijd van het creatieve élan vital (dat hij gelijk stelt aan het bewustzijn, aan de geest en zelfs aan God) met de materie, waaruit de mens als hoogste levensvorm is voortgekomen. Zo wordt de mensheid, die als enige de materie had overwonnen en die ook Bergsons filosofie had voortgebracht, achteraf de `raison d'être' van de hele organisatie van het leven op onze planeet'.

Met dit mengsel van humanisme en spiritualisme, dat een rooskleurige, zij 't nog altijd onvoorspelbare toekomst belooft, maakte Bergson grote indruk. Niet alleen op die Britse kolonel, maar op zeer veel van zijn tijdgenoten. De openbare lezingen die hij vanaf 1900 aan het Collège de France gaf werden het favoriete uitje van de Parijse beau monde; de toehoorders verdrongen zich zelfs buiten voor de ramen om geen woord van de meester te hoeven missen. Het maakte Bergson tot een publieke figuur, die tijdens de Eerste Wereldoorlog de Duitse Kultur veroordeelde als een vorm van `wetenschappelijke barbarij', die in de jaren twintig onder de hoede van de Volkenbond de intellectuele samenwerking bevorderde en die in 1928 de Nobelprijs voor literatuur kreeg.

Dat laatste lijkt op het eerste gezicht merkwaardig. Waarom literatuur, Bergson was toch een filosoof? Ja, maar wel een filosoof die een buitengewoon elegant, beeldrijk Frans schreef, zonder jargon, zodat iedereen hem kon volgen, al is niet altijd even duidelijk wat hij precies bedoelt. Met literatuur of kunst in het algemeen lijkt zijn denken, dat zozeer de nadruk legt op het belang van de creatie, bovendien ook inhoudelijk een nauwe verwantschap te vertonen. Iets wat voor een rationalistische tegenstander als Julien Benda juist een reden was om dat denken te bestrijden: net als in de moderne kunst en literatuur kon hij in het `Bergsonisme' enkel een symptoom zien van intellectuele decadentie.

Toch lag het niet aan de onvermoeibare ijver van Benda dat de invloed van Bergson na diens dood in 1941 is verdwenen. Het existentialisme en de fenomenologie, waarin zijn antipositivisme een nieuwe gedaante kreeg, namen de fakkel over en het élan vital van Bergsons reputatie heeft deze wisseling van de wacht niet overleefd. Sindsdien herinnert alleen het onderscheid tussen `open' en `gesloten' samenleving, dat hij maakte in zijn laatste boek Les deux sources de la morale en de la religion (1932) en dat – met een andere betekenis weliswaar – terecht kwam in Karl Poppers nog altijd veel gelezen boek The open society and its ennemies (1943), aan zijn ooit zo populaire filosofie.

En dan is er ook nog Marcel Proust, van wie Bergson via zijn huwelijk in 1891 een familielid was geworden. In A la recherche du temps perdu zou de geest van Bergson rondwaren, en niet alleen in de vermomming van de filosoof Bergotte. Inderdaad deelde Proust Bergsons opvatting van de herinnering, waarin het hele leven bewaard bleef, zij 't grotendeels onbewust. Maar er is ook een verschil, waarop Proust zelf de aandacht heeft gevestigd. Zijn verteller krijgt langs onvrijwillige weg toegang tot zijn verleden, terwijl Bergson ervan uit ging dat de durée via een inspanning van de wil zou worden ontsloten. Was Proust een volbloed Bergsoniaan geweest, dan had zijn verteller geen madeleine nodig gehad om de roman op gang te brengen.

Henri Bergson: L'évolution créatrice (1907), PUF (1998), 384 blz. ƒ38,50