Groot leed, groot verdriet

Vertalen uit het Grieks is een vorm van schatgraven, vindt Gerard Koolschijn. Zonde dat er vaak zo slecht wordt gezocht.

Het begon met een leraar oude talen die tegen zijn klas zei dat ze geen `gij' hoefden te schrijven als ze uit het Grieks vertaalden. `U' was goed genoeg. De `oude Grieken' waren geen kamergeleerden maar gewone, levende mensen. Gerard Koolschijn (1945) heeft die opmerking ter harte genomen. Zijn vertalingen uit het Grieks, heel veel Plato, daarna vooral tragedies, vooral die van Euripides, leveren helder hedendaags Nederlands op, dat er niet uitziet alsof het maar nauwelijks van eeuwenoud stof is ontdaan. Koolschijn heeft het niet zo op eeuwenoud stof, en evenmin op plechtige zinnen met niet-bestaande inversies in de trant van `óp zijn hoofd hij hief'.

Hij is vaker op de schaats of op de fiets te vinden dan achter zijn bureau. Hij zwerft graag met vrouw en dochter door Griekenland, hij zou wel op de Peloponnesus willen wonen en alleen maar veel rondlopen. Hij heeft wel eens een jaar zitten vertalen op een piepklein eilandje, waar extra tomaten aangevoerd moesten worden om die ene mond meer te vullen. Hij vindt classici, de goeden niet te na gesproken, gauw stoffige types die niet van literatuur houden maar vooral van commentaren. Hij heeft zijn hele Plato-bibliotheek vol geleerd commentaar het huis uit gedaan en alleen Plato's verzameld werk over gehouden. ,,Je moet het werk zelf lezen, dan pas merk je met wat voor schrijver je te maken hebt'', zegt hij op zijn werkkamer die er opmerkelijk boek-luw uitziet. ,,Je ziet dan bijvoorbeeld dat Plato altijd bezig is met politieke kwesties, die ideeënleer speelt een minieme rol. Toch is die nu juist het meest bekend. Ik denk dat dat komt doordat de gelovigen zich van Plato meester gemaakt hebben. Veel teksten uit de oudheid zijn via de Christelijke kerk overgeleverd en die interesseerde zich voor veel niet. Plato leek een religieuze denker, daarom is van hem, als een van de weinigen, vrijwel alles overgeleverd, voor zover we kunnen nagaan.''

Koolschijn had dus die leraar, die hem al op de middelbare school aanmoedigde om zelf eens wat te vertalen. Met een klasgenoot begon hij aan Xenofons Anabasis. Dat was goed, zegt hij, want een probleem van de gymnasium-opleiding is dat je altijd alleen maar fragmenten te lezen krijgt. ,,Van Xenofon weet iedereen altijd alleen maar `dagmarsen' en hoeveel `parasangen' ze per dag aflegden, aan de spannende avonturen kwam je nooit toe. Door dat vertalen raakten we thuis in het boek.''

Zijn leraar drong erop aan dat de leerlingen hele boeken lazen, dan maar in vertaling. Een ongehoord nieuw standpunt, maar ook een dat Koolschijn, met behulp van de leraarsblik, in staat stelde om toen al te zien wat een vreemde dingen er in die vertalingen stonden. Neem Symposium, een tekst van Plato over een maaltijd waarbij veel gediscussieerd wordt over de liefde. Op een gegeven moment, laat op de avond of vroeg in de nacht, komt er nog een groepje vrienden binnen. ,,Die zouden dan van buiten roepen `Begeven jullie je al te ruste?'. Dat is onzin zei die leraar, ze vragen gewoon `Zijn jullie al naar bed?'. En de mooiste passage, waarin Alcibiades vertelt dat Socrates' grootste heldendaad is dat hij hem, Alcibiades, ondanks diens schoonheid,heeft weten te weerstaan, die stond tussen haakjes. Toen begon ik te begrijpen hoeveel er verpest was.''

Euripides

Koolschijn vertaalde het Symposium, hij vertaalde Plato's hoofdwerk Constitutie, verscheidene dialogen, hij maakte een boek dat door middel van een thematisch gerangschikte keuze uit Plato's werk een beeld beoogde te geven van Plato, schrijver en hij schreef nog een boek over de moeite die Plato had om zijn eigen standpunten aangaande de juiste houding ook werkelijk te verdedigen – Plato maakte zijn tegenstander vaak zo sterk en overtuigend, dat het standpunt zoals verdedigd door Socrates daar niet meer tegenop kon.

Met Plato is hij nu `klaar', dat is voorbij. Toen hij zich afvroeg wie behalve Plato dan nog echt de moeite waard was, kwam hij op Euripides – die hij `de grootste' noemt. Wat hij vervolgens weer intrekt omdat het onzin is om zo wedstrijdachtig over schrijvers te praten.Even later zegt hij per ongeluk toch weer `de grootste'. Hij is bezig alle tragedies van Euripides (dat wil zeggen: die er nog zijn, want er is veel weggeraakt in de loop der eeuwen) te vertalen. Onlangs verscheen de dikke bundel Eén familie, acht tragedies, met tragedies van Aischylos, Sofokles en Euripides over de familie van Agamemnon en Menelaos. Ook opgenomen zijn twee versvertaalde Euripidessen: Ifigeneia in Aulis en Ifigeneia op de Krim. Op basis van die acht tragedies zal Koolschijn een toneelstuk schrijven voor Toneelgroep Amsterdam.

Wat is er zo groot en bijzonder aan Euripides? Dat kan Koolschijn niet zomaar zeggen. Al pratend over de verschillen tussen de drie tragedieschrijvers die de hele vijfde eeuw voor Christus vulden – Aischylos aan het begin, Sofokles in het midden, en Euripides aan het eind – kristalliseert het zich wel uit.

,,Euripides brengt de mythen terug tot hoe het in het dagelijks leven gegaan moet zijn, zijn werk is heel psychologisch. Neem bijvoorbeeld de mythe van Alkestis, de vrouw die bereid is om in plaats van haar man Admetus te sterven, zodat hij verder kan leven. Je ziet bij Euripides wat een zak die Admetus geweest moet zijn dat hij dat goed vond. Sofokles deed al iets nieuws door Elektra, de zus, tot de hoofdpersoon van zijn tragedie te maken en niet Orestes, zoals Aischylos doet. Bij Euripides is ze bijna een psychopate, zij is de drijvende kracht achter de moord: Orestes moet door haar overgehaald worden om hun moeder Klytaimnestra en haar minnaar te vermoorden. Euripides heeft zich echt afgevraagd wat voor kinderen zoiets doen. Ze zijn ook helemaal gebroken na de moord.''

Cynische tijd

Het is een aangrijpende scène in Euripides' Elektra, de twee kinderen die zichzelf opzwepen en die achteraf geen spoortje triomf voelen. Alleen maar verschrikking. ,,Zag je hoe ellendig/ ze haar borst bij de moord/ uit haar jurk bracht en toonde,/ o god, hoe ze knielde/ op de grond, onze moeder?'' zingt Orestes.

,,Euripides leefde ten tijde van de neergang van Athene, ten tijde van de Peloponnesische Oorlog. Dat is echt ònze tijd, vind ik, een cynische tijd. Bij Aischylos zie je veel woorden en weinig daden, bij Sofokles is dat in evenwicht, bij Euripides loopt het volkomen uit het spoor: heel veel daden en heel veel woorden. Alles wordt van alle kanten bekeken, waardoor de menselijke ziel volkomen uiteengerafeld wordt. In Aischylos' tijd zijn er vaste waarden, hij schrijft over een wereld waarin het goddelijke een reële kracht is waarin geloofd wordt, hij gelooft in rechtvaardigheid, zelfs in die van oorlogen. De goden die bij Aischylos optreden, worden bij Euripides krachten die in een mens zelf werken. De goden zijn als het ware naar binnen gegaan, maar daarmee zijn ze niet minder krachtig geworden.

,,Bij Euripides is er niets om in te geloven. Behalve misschien de onschuld van een kind. Hij schrijft ook heel zintuiglijk over kinderen, over hun huid, over hun heerlijke geur. Of hoe Ifigineia tegen haar vader praat als die haar wil offeren, hoe ze hem herinnert aan hoe ze bij hem op schoot zat, hoe ze elkaar liefkoosden.

,,Er is wel kritiek op dat Ifigeneia zo omslaat in dat stuk: eerst smeekt ze om te mogen blijven leven, maar uiteindelijk offert ze zich vrijwillig op. Ik vind dat het wel kan, ze gebruikt misschien wat te grote begrippen als `zich opofferen voor het vaderland' en dergelijke, maar dat doen kinderen. Ze heeft in elk geval een scherp inzicht in haar toestand. Een kind kan nog `edel' handelen, een woord dat Euripides verder niet meer kan gebruiken. Hij heeft nog zo'n meisje geschapen, Polyxene, die op het graf van Achilles geofferd moet worden. Ook zij toont dan een grote waardigheid.

,,Verder is er niets. Je kunt de goden wel aanroepen maar ze sturen of redden niet, er is geen morele rechtvaardiging. Het is de kracht van de menselijke ziel die de mens vernietigt. Alleen kinderen onttrekken zich daaraan, want een kind handelt nog niet, het is geen dader maar slachtoffer. Zodra mensen actief worden, richten ze schade aan. Het is een sombere visie, maar ik deel hem wel. De enige ontsnapping is de liefde, en daar schrijft Euripides niet veel over. Hoewel: Orestes en zijn vriend Pylades gaan voor elkaar door het vuur, Elektra en Orestes houden op een haast incestueuze manier van elkaar en er is de liefde tusen ouders en kinderen. Misschien zijn de meest pessimistische mensen tegelijk wel degenen die het hevigst mee kunnen lijden.''

Tragedies kun je niet lezen, zegt Koolschijn, dat wil zeggen: niet in het Grieks. ,,Ik geloof niet dat ik overdrijf als ik zeg dat niemand dat kan. Homerus en Herodotus, dat gaat, maar tragedies niet.'' Pas nadat ze vertaald zijn, zijn ze te lezen. In de inleiding bij zijn Oresteia-vertaling schreef hij: ,,Het verhaal van Orestes vertalen is rondtasten in het duister. De tekst is zo gebrekkig overgeleverd dat om de twee, drie regels onduidelijk is wat Aischylos precies heeft geschreven. Die onzekerheid neemt groteske vormen aan in de koorliederen.'' Er komen woorden in voor die verder nergens anders staan, of maar op één andere plaats. Uitdrukkingen waarvan niemand weet of ze alledaags waren of bijzonder, of ze aan de sportbeoefening of aan de destijds geldende medische inzichten ontleend waren.

Vertaalgruwelen

En er is geen enkele mogelijkheid om dat na te gaan, want de wereld waarin deze taal gesproken werd is verdwenen.

,,Daarom doe ik het ook graag'', zegt Koolschijn, ,,Het is een vorm van schatgraven. Ik zou nooit uit het Duits willen vertalen, iedereen spreekt al Duits.'' Juist omdat er geen mogelijkheden zijn om iets te horen zoals het was, is het erg belangrijk hóe de Griekse teksten vertaald worden. Er is Koolschijn veel aan gelegen om dat goed te doen, vooral ook omdat hij vindt dat het vaak slecht gebeurt. Hij somt vier grote vertaalgruwelen op.

De eerste en grootste gruwel: het uitleggen.

,,Mensen denken vaak dat iets er te simpel staat, dat ze dat moeten toelichten. Er is bijvoorbeeld een zin van Aristofanes die luidt, letterlijk, `de slaven snurken'. Plastisch. Dat wordt `het huis is nog in diepe rust'. Of Dante schrijft, als hij vertelt hoe Odysseus over de oceaan voer, `toen ons een berg verscheen, vaag door de afstand'. Dat is mooi, kort. Een Dante-vertaler maakte ervan: `toen er in de verte voor onze ogen een berg oprees die zich door de grote afstand met vage contouren aftekende'. Wat bezielt die mensen, ik kan me daar zeer over opwinden. Euripides schrijft over vrouwen zonder kinderen - die dus ook de zorgen missen die kinderen met zich meebrengen - dat ze wel gelukkig zijn, `maar hun geluk is triest'. Dat wordt dan: `ze weten ook niet welk geluk ze missen'. Misschien typeert het classici wel, dat ze altijd denken: wat zou dat kunnen betekenen, en dat vervolgens gaan uitleggen. Hoewel Karel van het Reve vergelijkbare klachten had over veel vertalingen uit het Russisch.''

Tweede, evengrote gruwel: het opkloppen.

,,Er staat `groot leed, groot verdriet' en er wordt vertaald `gruwelijk leed, vlijmscherpe smart'. Er staat `men is bang', er wordt vertaald `men is nu eerder geneigd tot bangheid'. Kampioen van dit soort vertalen was P.C. Boutens. Laatst las ik in een recensie dat de vraag is hoe je de klassieken moet vertalen, `plechtstatig en gekunsteld' of `vlot'. Dat is een krankzinnige vraag. Je moet vertalen wat er staat. Dus niet als er staat `Mijn zoon valt' `Storten mijn zoon doet'.''

Ongekunsteld

Derde gruwel: kamergeleerdentaal.

,,Bijvoorbeeld `hij ligt dood terneer, armzalige, allerminst een gunstig lot'. Je kunt natuurlijk zeggen `ik, armzalige, ben uit de boot gevallen' wat in het Grieks gewoon is, maar in het Nederlands zou je toch eerder zeggen `Ik ben helaas uit de boot gevallen'. Dat er geen toetsingsmogelijkheid is, ontslaat je niet van de plicht je voor te stellen hoe ze gesproken hebben. Gerekend naar de huidige maatstaven werd het toneel destijds bezocht door een miljoenenpubliek, dat wijst toch op z'n minst op het gebruik van gewone, begrijpelijke taal. Aristoteles schrijft ook, dat de tragedie zich in de loop van zijn ontwikkeling van alle gekunstelde taal heeft ontdaan.''

Vierde gruwel: vlotheid.

,,Ovidius schrijft: `de goden lachten'. Dan vertaal je niet `alle goden proestten het uit'. Daar haal je het niveau zo ongelooflijk mee naar beneden. Of vlotte uitdrukkingen: `De opperbevelhebber sprong een gat in de lucht'. Ja:`Eisenhower sprong een gat in de lucht'.''

Koolschijn raast nog even door. Over het vertaalwerk van Martinus Nijhoff bijvoorbeeld, de man naar wie de Nijhoffprijs voor vertalingen is genoemd, een prijs die ook Koolschijn (in 1991) mocht ontvangen. ,,Bijvoorbeeld in Ifigeneia in Tauris: `Eigen rampen heb te dragen ik geleerd' of `Zijn zij goed nieuws uit Argos meldende geweest'. Dat is dan het grote voorbeeld, daar krijgen we prijzen voor. Als je vertaalt gaat het om de stijl, want de stijl is de schrijver.''

Op de grieven volgt weer enthousiasme. Voor de sterke werking van de tragedieteksten, vooral op het toneel. ,,Ik merk pas hoe mooi iets er staat als ik het in vertaling opschrijf, maar het meest als ik de stukken opgevoerd zie. Laatst zag ik Medea, mijn meest opgevoerde vertaling, in een voorstelling van het betrekkelijk onbekende gezelschap Aluin. En daar was een scène in tussen Jason en Medea die zo modern klonk dat ik dacht: dat hebben ze erbij verzonnen. Ben ik thuis na gaan kijken, het stond er. Dan hoor je pas, via anderen, hoe mooi het is.

,,Er wordt vaak zo vreemd vertaald omdat men denkt `het is oud'. Maar het is niet oud, het is juist jong. Die mensen hadden nog geen rijen boeken achter zich staan, ze hadden überhaupt geen boeken. Bij hen is er nog een prachtig evenwicht tussen het leven en wat erover gezegd wordt. Het is kaal, er worden geen duizend woorden gebruikt voor één belevenis. Het is kernachtig. Het is precies waar het om gaat.''

Eén familie, acht tragedies. Aischylos, Sofokles, Euripides, vert. Gerard Koolschijn. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 590 blz., ƒ 39,90