Een betere wereld

In de commentaren op `Kosovo' worden veel termen uit vorige oorlogen gebruikt. Of niemand wil zien dat ook Kosovo weer nieuw is. Deel 15 van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Toen ik V.S. Naipaul enkele jaren geleden voor deze krant ontmoette, gebeurde er iets eigenaardigs. De schrijver sprak zichzelf faliekant tegen. Het was de tijd van de burgeroorlog in Rwanda en Naipaul viel honend uit tegen de zelfgenoegzame bemoeizucht van het westen. Let Africa be, laat Afrika zichzelf zijn, verklaarde hij. Hij was in 1966 in Rwanda geweest, vlak nadat er massale slachtpartijen hadden plaatsgevonden – en nu gebeurde gewoon wat al eerder was gebeurd. Wat dacht het Westen wel? `Gewoon wat geld en eten sturen en dan komt het wel goed? En nog wat doktoren? En dan film je die doktor voor het avondjournaal op televisie met een baby in zijn armen, of iets dergelijks. IJdelheid, anders niet. Mateloze ijdelheid. Het is zo gemakkelijk om op de voorgrond te treden temidden van mensen die zo kwetsbaar zijn.'

Zijn gezicht toonde een walging die met gemak de hele wereld omvatte. Maar, vroeg ik voorzichtig, komen die internationale `reddingsacties' ook niet voort uit een gevoel van morele verplichting, de noodzaak iets te doen aan menselijke ellende, ook al is het effect op de lange termijn nihil?

De walging op het gezicht van Naipaul maakte ineens plaats voor een gepijnigd schuldbewustzijn. `Daar mag je inderdaad niet geringschattend over doen.' Die morele aversie tegen wreedheid was een belangrijk aspect van onze post-renaissance beschaving, peinsde Naipaul. Het was Montaigne geweest die zich als eerste uitsprak tegen die wreedheid van mens tot mens, daarvoor had men elkaar zonder al te veel scrupules afgeslacht. Dat onze beschaving dat niet langer kon verdragen, was een grote verworvenheid, verklaarde Naipaul, ook al hielp het niet veel, ook al werkte het vaak genoeg averechts.

Ik vond dat toen verbazingwekkend: de neiging van de westerse wereld zich te bemoeien met menselijke catastrofes afdoen als zuivere ijdelheid, en vrijwel tegelijk onze humanitaire impulsen prijzen – en niet zo'n beetje ook, want de schrijver raakte zichtbaar ontroerd toen hij die afkeer van wreedheid prees. Hoe konden die tegengestelde noties naast elkaar bestaan in één hoofd? Was het blindheid, hypocrisie?

Geen van beide, denk ik nu. Als je de commentaren in de Nederlandse media op de oorlog in Kosovo hoort en leest, kom je eenzelfde gespletenheid tegen. Twee verschillende wereldbeelden die elkaar uit lijken te sluiten, beide het resultaat van een lang proces van bewustwording in onze cultuur: enerzijds het verlichtingsideaal van de betere wereld, waarin geen plaats meer is voor berekenende wreedheid en sadistische gruweldaden, het besef dat je niet werkeloos kunt toekijken terwijl honderden, duizenden mensen worden opgejaagd en vermoord. Anderzijds een historisch besef van etnisch geweld als een soort natuurlijke staat, als een onuitroeibaar menselijk verschijnsel (`Ze slachten elkaar daar al negenhonderd jaar af.'), waardoor ingrijpen een even gevaarlijke als pretentieuze onderneming wordt. Het is het voormalig Joegoslavië dat in ons bewustzijn symbool is geworden van wrede impulsen in de mens, waarop geen enkel beschavingsproces ooit greep zal krijgen, onze `duistere kant'. Daar kun je maar het beste verre van blijven. Handen af. Let Kosovo be.

De Verlichting en haar schaduwkant: de mens die zich van de dieren wil onderscheiden en het besef dat de mens de mens een wolf is. Humanitaire impulsen versus Realpolitik. Illusie versus illusieloosheid.

Naipauls gespletenheid is de onze. Het geloof in een nieuwe wereldorde sinds de val van de Muur, gaat hand in hand met het ontnuchterende besef dat de mens niet van nature goed is en wellicht ook niet voor verbetering vatbaar. In het geval van het conflict in Kosovo zijn die twee wereldbeelden niet meer te scheiden. Ze lopen hopeloos in elkaar over, nu getracht wordt verlichtingsidealen te verwezenlijken door middel van geweld, de wereld te verbeteren door bewust vuile handen te maken. Het is, om in de termen van Naipaul te spreken, geen kwestie van voedselpakketten en Artsen Zonder Grenzen meer, maar van F16's en gerichte bombardementen.

Die verwarring is veel mensen te groot, vandaar dat ze vluchten in de veilige thuishavens van het overspannen moderne bewustzijn: cynisme en sentiment. Cynisme voor de Realpolitiker, die in veel gevallen een levenslange lofzang op een verenigd Europa plotseling opzij zetten voor het inktzwarte pessimisme van de Balkan, waar de mens zijn ware gezicht heeft laten zien. De Balkan is een moeras, een afgrond, een besmettelijk virus. Je bent gek als je daar je vingers aan gaat branden: een hek eromheen en laat ze het maar uitvechten. Sentiment bij de wereldverbeteraars, waarvan de meesten traditioneel iedere vorm van geweld afwijzen (`we zouden toch nooit meer bommen gooien?') en die hun gevoelens van onmacht vertalen in het verzamelen van knuffels voor de kinderen van Kosovo. In het ergste geval gaan ze een avond lang in Carré hun eigen onmacht vieren, waar ze, gesteund door de Tweede Wereldoorlogretoriek van Freek de Jonge (die mij veel te gretig praat in termen als kaalscheren, en het Verzet) het morele gelijk in de kwestie opeisen door juist geen enkele positie in te nemen – hun handen zijn immers schoon?

Zo kan ik het ook. Als het om onmacht gaat, kan ik elke dag wel een avond organiseren. Het grootste probleem met de commentaren op de oorlog in Kosovo is dat er zoveel oude, versleten woorden in opduiken. Er is vooral de alomtegenwoordige historische parallel: er kan niets gebeuren of het lijkt op iets wat al eens eerder is gebeurd. Alsof iedere nieuwe oorlog op de vorige zou lijken. Je ontkomt niet aan de gedachte dat dit conflict misbruikt wordt voor een afrekening met ons verleden. Vietnam, de Tweede Wereldoorlog, de jodenvervolging, het wordt er allemaal veel te gretig bijgehaald, net zoals de oudbakken linkse anti-Navo en anti-Amerikaanse retoriek en de bijpassende morele zelfgenoegzaamheid van het activisme tegen de macht.

Het is een bedenkelijk soort nostalgie, die een afkeer verraadt om onder ogen te zien wat zo evident is: dat alles aan het conflict in Kosovo nieuw is, hoeveel echo's uit het verleden er ook in door klinken. Kosovo dwingt je alle vragen opnieuw te stellen en te beantwoorden – ook al weet je dat je nooit over alle feiten zult beschikken, dat veel feiten elkaar ook nog eens tegenspreken. Verscheurd als je bent door idealisme en pragmatisme, humanisme en pessimisme, pacifisme en een geloof in noodzakelijk geweld, de wetenschap dat in de wereldpolitiek humane impulsen altijd samengaan met onzichtbare, machiavellistische motieven, is het verleidelijk je handen ten hemel te heffen en te vluchten in eenduidig cynisme of zwevend sentiment. Maar het gaat erom een leefbare vorm te vinden voor al die onverenigbaarheden, om uit de illusieloosheid een praktisch ideaal te vormen. Onze gespletenheid is niet alleen onmacht. Het is ook een opdracht.