Déprimisme, réalité en intimité

Politiek en poëzie, literatuur en maatschappij zijn tot op heden in Frankrijk onafscheidelijk. De politicus moet zijn klassieken kennen en de dichter hoort geëngageerd te zijn. Er is dan ook een reactie te zien op het `nombrilisme' de navelstaarderige romantraditie die jarenlang de boventoon heeft gevoerd en op ander zolderkamerproza. Een jonge generatie staat weer volop in de maatschappij. Een overzicht over de meest recente literaire ontwikkelingen.

Een paar weken geleden publiceerde de Editions de l'Assemblée générale eens iets anders dan de gebruikelijke wetswijzigingen, juridische besluiten en amendementen. Parlementsvoorzitter Laurent Fabius presenteerde de Anthologie parlementaire de poésie, waarin, op zijn initiatief, de lievelingsgedichten van de 577 afgevaardigden werden gebundeld. Premier Lionel Jospin, zo blijkt uit de anthologie, houdt erg van `Le cimetière marin' van Paul Valéry. Communist Robert Hue heeft een zwak voor `La chanson du mal aimé' van Guillaume Apollinaire. Jacques Chirac, liefhebber van Japanse en Chinese poëzie, wilde zijn favoriete gedicht niet bekend maken, terwijl anderen juist poëzie van eigen makelij lieten opnemen. ``Wellicht', zei Fabius, ``is het over een aantal jaren stof voor een historicus of een socioloog, die wil onderzoeken hoe het parlement eruit zag aan de vooravond van het jaar 2000.' Fabius liet op deze manier de politiek haar steentje bijdragen aan de manifestatie Printemps de la poésie, waarbij, op initiatief van oud-minister van Cultuur Jack Lang, gedurende een week, het hele land in het teken stond van de dichtkunst. Overal werden gedichten gemaakt en voorgedragen: in scholen, treinen, ziekenhuizen, theaters, in gevangenissen en gewoon op straat.

Politiek en poëzie, literatuur en maatschappij – in Frankrijk lijken het, tot op de dag van vandaag, onafscheidelijke duo's.

De middeleeuwse hofdichter bezong niet alleen de heldendaden van zijn vorst, hij was vaak ook diens politiek adviseur. De rondtrekkende minstreel of jongleur amuseerde zijn publiek en legde, in zijn karikatuur, de vinger op zere plekken in de samenleving. De revolutionair bediende zich van strijdliederen en poëtische pamfletten. Ook voor de negentiende-eeuwse romanliteratuur was de maatschappij een rijke bron van inspiratie. Met hart en ziel observeerden Balzac, Zola en Flaubert de zelfkant van de samenleving – de verschoppelingen van Hugo schitteren tegenwoordig als Disney-helden op het witte doek en blijken nog steeds de perfecte verpersoonlijking van sociale misstanden. Ook na de oorlog werd, met name door de existentialistische filosofen, heftig gediscussieerd over de rol van de literatuur in de maatschappij en het engagement van de schrijver.

Van de huidige Franse politicus wordt verwacht dat hij zijn literaire klassieken kent – president Pompidou liet zelfs zijn persoonlijke anthologie van Franse poëzie publiceren. De Franse schrijver wordt geacht zich, als intellectueel, uit te spreken over allerlei maatschappelijke problemen, zelfs als die weinig of niets met zijn schrijverschap te maken hebben. Deelnemen aan het publieke debat hoort er voor hen nu eenmaal bij. Goed van de tongriem gesneden intellectuelen, zoals Philippe Sollers of Bernard-Henry Lévy koesteren zich in de aandacht van de media, terwijl anderen zich om dezelfde reden juist niet in Parijs vertonen of kiezen voor de anonimiteit.

De Franse literatuur lijkt te moeten verwijzen naar de bijbehorende Franse belevingswereld. Wie zich niet aan die regel houdt, wordt gestraft. Dat merkte bijvoorbeeld een generatie romanschrijvers van zo'n dertig jaar geleden – de nouveaux romanciers – die zich voornamelijk met de vorm van de roman bezig hielden en niet zozeer met de inhoud. De nouveau roman was op geen enkele wijze meer een afspiegeling van de maatschappij; personages, intrige, aanduiding van plaats en tijd verdwenen en taal werd als autonoom beschouwd. Na korte tijd werd er geen roman meer gelezen – een klap die zij maar moeizaam te boven kwam. Latere generaties maakten zich schuldig aan een bijna even ernstig vergrijp. Hun werd intimisme verweten, een te grote preoccupatie met het eigen ik, of nog erger, nombrilisme, navelstaarderij. `Kijk om je heen', `werk', `reis' zijn nog steeds de adviezen die oude rotten-in-het-vak meegeven aan jongere collega's.

De Franse romanschrijvers van nu hebben, zo lijkt het, deze raad ter harte genomen – en niet zonder succes. Tegenwoordig hoor je niemand meer over een crisis in de Franse literatuur. De jongste generatie staat stevig, met beide benen, middenin de maatschappij. Hun thematiek? De consumptiemaatschappij, de positie van de vrouw, liefde of het zoeken daarnaar, het lichaam, seks, aids, de Tweede Wereldoorlog, afkomst- en identiteitsproblematiek, geweld, sans-papiers, sans-domicile-fixes (daklozen), miscommunicatie, bureaucratie, eenzaamheid, geschiedenis, verleden en herinnering.

Tijdens de 19e Salon du Livre, die enkele weken geleden in Parijs werd gehouden, vlamde een debat op over de kort daarvoor door de Figaro littéraire gelanceerde term déprimisme, waarmee hoofdredacteur Jean-Marie Rouart een nieuwe generatie romanschrijvers karakteriseerde. De elegant in het zwart gestoken Rouart, lid van de Académie française, trok een parallel met de romantiek, de literaire stroming die in de negentiende eeuw ontstond als reactie op de Verlichting, het classicisme en de veranderende maatschappij na de nederlaag van keizer Napoleon. Weg heldendom, weg glorie. In plaats daarvan kwam rustig, saai comfort. Hoe komt het, zo vroeg Rouart zich af, dat de huidige literatuur een vergelijkbare ontgoocheling en teleurstelling uitstraalt? Wat bezielt auteurs als Michel Houellebecq, Virginie Despentes en Lorette Nobécourt? Waar komt hun afschuw van de wereld vandaan? Een wereld die zij, uit lamlendigheid en gebrek aan energie, niet eens proberen te veranderen of te ontvluchten. Integendeel, verder dan een realistische beschrijving van die wereld komen ze niet: de smerige buitenwijken, de supermarkt, de seksshop, de puinhoop in hun keuken – alles is even morsig. Hun personages behoren tot het uitschot van de maatschappij. Ze zijn aan de drugs, dement of suïcidaal, impotent of seksueel pervers. Seks heeft de smaak van het grote niets. De generatie van het déprimisme, meende Rouart, leeft afgesneden van het verleden en van cultuur heeft zij al helemaal geen benul. Zij leeft in het vluchtige moment, surft op Internet, kijkt televisie en drukt zich uit in een kaal, minimalistisch taalgebruik, zonder enige liefde voor het Frans. ``Vergeleken bij hun realisme is Zola een pre-raphaëliet!', riep Rouart ontzet uit en constateerde dat met het verdwijnen van de religie ook de motor van de roman verdwenen leek te zijn: de liefde – als droom, als avontuur.

Niet alle deelnemers aan het debat waren een even zwartgallige mening toegedaan als Rouart. Pierre Assouline, biograaf en hoofdredacteur van het tijdschrift Lire, was van mening dat het gewoon bij een kunstenaar hoort om een beetje gedeprimeerd te zijn. Alle schrijvers zijn nu eenmaal een beetje mank, anders zouden ze niet schrijven. ``Dat déprimisme is een misverstand', zei Assouline, ``Het enige dat al die auteurs gemeen hebben, is dat ze niet zouden worden uitgegeven in de boeketreeks. Ze zijn melancholiek. Ze verwoorden de tijdgeest en die is al een tijdje wat grijs, wat sinister. Meer is er niet aan de hand. Werk van een schrijfster als Marie Desplechin valt al helemaal niet te rijmen met welk déprimisme dan ook.' Hoogstens was er, meende hij, sprake van een nieuwe esthetiek, een nieuwe sensibilité, die zich kenmerkte door gebrek aan hoop en vertrouwen in de toekomst.

Het kleine tijdschrift Ligne de risque, luis in de pels van het literaire Parijse wereldje van ons-kent-ons, signaleerde in het laatste nummer eveneens een nieuwe stroming: la Nouvelle Tendance. Eén van de redacteuren had in Le Monde al verwantschap geconstateerd tussen de romans van Michel Houellebecq, Marie Darrieussecq en Iegor Gran en daarmee zijn steentje bijgedragen aan de felle, aanhoudende polemiek rond het boek van Houellebecq, Les particules élémentaires. Deze roman, die nog steeds hoog op de bestsellerlijst staat, werd door sommigen bejubeld als dé roman van dit fin-de-siècle, dankzij zijn persoonlijke, vooral negatief-pessimistische interpretatie van de laatste jaren van dit millennium en zijn profetische toekomstblik. Anderen boorden het boek de grond in wegens de reactionaire, racistische en gevoelsarme personages. Een roman kortom, die niemand onverschillig laat en waar iedere Fransman inmiddels wel een mening over heeft.

Ligne de risque schaart het werk van deze drie jonge auteurs onder één avant-gardistische noemer. La Nouvelle Tendance is naturalistische literatuur, stelt de redactie, over `ontmenselijking' in een wereld die ten prooi is gevallen aan de wetten van de commercie. Het menselijk lichaam is verworden tot wegwerpartikel. Psychologie bestaat niet meer. Alles draait alleen nog om geld en om seks. Het nihilisme en antihumanisme van deze literatuur zou haar agressieve karakter verklaren, evenals haar gebrek aan stijl, schoonheid, fatsoen en finesse. Leve de `scission', zo schrijft de redactie van het tijdschrift, leve de scheuring, de afsplitsing zoals alleen de Amerikaanse auteur Brett Easton Ellis die tot nu toe wist te verwoorden.

Wie de genoemde romans heeft gelezen, beseft al snel dat deze visie van Ligne de risque nogal overdreven en eenzijdig is. De grondtoon van de romans is zeker zwart te noemen, maar de agressief militante analyse gaat voorbij aan tal van andere registers. Daar waar de redactie spreekt van een `wapen' waarmee `de instituties worden gesaboteerd' maakt zij zich ronduit belachelijk. Toch waren de reacties ongekend fel en cynisch. Men sprak van `hurlement des loups dans la nuit du temps' (huilen van wolven in de nacht van de tijd), van `incultes et fiers de l'être' (onontwikkeld en er nog trots op zijn ook), van een `lachwekkende arrogantie van de filistijnen van hegeliaans links'.

Ook van de kant van het respectabele, degelijke, decennia-oude, literaire tijdschrift La Quinzaine littéraire, komen geluiden over een vernieuwing in de Franse literatuur. Tijdens de Salon du Livre organiseerden medewerkers een debat over `Réalisme et réalité: jonge literatuur in direct contact met de realiteit'. De Franse literatuur, zo stelde men, vindt aansluiting bij andere Europese auteurs die de kont tegen de krib gooien, zoals de provocerende Brit Irving Welsh, die groot opzien baarde met zijn sensationele debuut Trainspotting. Literatuur hoort vragen te stellen bij alle verworvenheden, bij alle zekerheden. Zij hoort de mythes die zich hebben vastgezet in ieders brein te confronteren met de politieke en sociale werkelijkheid – dat is wat er ook in Frankrijk gebeurt. De bejaarde éminence grise van La Quinzaine littéraire, Maurice Nadeau, liet de literaire eeuw en de generaties schrijvers die hij had gekend, aan zijn geestesoog voorbij trekken. Of het nu schrijvers van het begin van deze eeuw, van voor of van na de oorlog betrof, altijd was er sprake van een generatieconflict. De jongste zette zich af en zocht, opnieuw, alleen, naar een nieuwe weg om de werkelijkheid (la réalité) weer te geven in een persoonlijke interpretatie (le réel). Het gaat, volgens Nadeau, altijd maar om één ding: helderheid scheppen in een werkelijkheid die allesbehalve helder is.

Een derde stroming in de moderne Franse literatuur – van een heel ander kaliber – werd gelanceerd door Olivier Cohen, directeur van uitgeverij L'Olivier. De confrontatie met de alledaagsheid, de banaliteit van het gewone, dagelijkse leven, is voor iedere schrijver een uitdaging, schreef hij in Le Monde. Aan de ene kant is alledaagsheid langdradig en saai. Zij impliceert een sleur waaraan je per definitie graag wil ontsnappen. Aan de andere kant zit zo'n dag vol met onopgemerkte, onuitputtelijke rijkdom, waar je overheen kijkt, gewoon omdat je er zo aan gewend bent. Die binnenstebuiten gekeerde handschoen, die onvermoede innerlijke ruimte, `le moment de l'intimité', is, volgens Cohen, het domein van een nieuwe stroming. Niet helemaal toevallig prijkt op zijn fondslijst een aantal succesvolle vrouwen (zoals Geneviève Brisac en Marie Desplechin), van wie men al lang veelvuldig heeft beweerd dat zij uitblinken in geschriften van intieme aard. De nieuwe generatie vrouwen schrijft romans noch korte verhalen, maar `novella's' à la Raymond Carver – korte tekstvormen, waarin vooral gebruik wordt gemaakt van plotselinge wendingen, ellipsen, ritmeversnellingen en onderhuidse toespelingen. Zoveel mogelijk werkelijkheid in een zo kort mogelijk bestek. In tegenstelling tot de meeste romanciers, streven zij er niet naar de wereld te veranderen of zich politiek te engageren. Zij proberen slechts één vraag te beantwoorden: Comment vivre? Hoe te leven? Het is, volgens Cohen, de enige vraag die er in de literatuur toe doet, `anders zou zij ten onder gaan in trivialiteiten, megalomanie of ideologische clichés'.

Of het nu gaat om thema's van realiteit of intimiteit, te veel jonge schrijvers zitten in kleine kamertjes, op drie hoog achter, moederziel alleen te ploeteren, aldus Sylvain Bourmeau van het ooit als rockmagazine begonnen, populaire, culturele tijdschrift Les inrockuptibles. In navolging van het Engelse Granta, publiceerde Les inrock twee jaar geleden Dix, een bundel ongepubliceerd werk van een tiental jonge, voornamelijk vrouwelijke auteurs. Vriendschappen werden gesloten en enkelen van hen (Marie Darrieussecq, Lydie Salvayre en Eric Holder bijvoorbeeld) waren succesvol bij het grote publiek. Tijdens de Salon du Livre presenteerde Les inrock Onze, een nieuw `panorama van de jonge, Franse literatuur' – zonder etiket, zonder wat voor typering dan ook. `Een afspiegeling van de pluriformiteit van de Franse samenleving, meer niet', zei Bourmeau. Het enige dat ze gemeen hebben is `dat ze weten waarover ze het hebben als het om réalisme gaat', vermeldt het voorwoord. Onze bevat bijvoorbeeld een verhaal van Dominique Sigaud, voormalig journaliste in Algerije en auteur van een documentaire-roman over de laatste uren van een Amerikaanse ter dood veroordeelde; rap-proza van Patrick Bouvet, geïnspireerd op seriële muziek; een ook op Internet te lezen monologue intérieur van de schrijvende arts Martin Winckler, die razend populair werd door zijn bestseller La maladie de Sachs; en een intrigerend fragment uit een ongepubliceerde roman van de in New York wonende Frédéric-Yves Jeannet, auteur van de nauwelijks opgemerkte, indrukwekkende roman Cyclone (1997), die wel eens een van de literaire ontdekkingen van de eenentwintigste eeuw zou kunnen worden.

Dat het borrelt en bruist in de moderne Franse literatuur, moge duidelijk zijn. Nooit was in de afgelopen twee decennia de belangstelling van het buitenland voor de Franse literatuur zo groot als nu. Comment vivre? Je hoeft er de moderne Franse romans maar op na te lezen en je hebt een uiterst realistisch, divers geschakeerd kleurenpalet, direct onder handbereik.

Onze, Grasset/Les inrockuptibles, ƒ36,-

Michel Houellebecq, Les particules élémentaires, Flammarion, ƒ45,15 (verschijnt binnenkort in vertaling bij de Arbeiderspers)

Marie Desplechin, Sans moi, L'Olivier, ƒ42,55 (verschijnt binnenkort in vertaling bij Ambo/Anthos)

Marie Darrieussecq, Le mal de mer, P.O.L., ƒ35,55