Cabaret in de hel

Elke dinsdag, op de dag van de transporten, was er revue in Kamp Westerbork.

Als ik de foliomap uit de doos haal, dwarrelen er al meteen een paar snippers van het aangevreten omslag mee. Dat worden er nog meer als ik de map open; de rug is al voor de helft opengescheurd en het zal niet lang meer duren – nog drie, vier andere lezers misschien – of het omslag ligt uit elkaar. De schade die ik aanricht, is onherstelbaar. Dat geeft een ongemakkelijk gevoel. Maar de hanepoten staan nog kloek en krachtig op de voorzijde, alsof ze voor de eeuwigheid in het karton zijn gekrast: Gruppe Bühne – Total Verrückt!! (Bunter Abend) en daaronder de datering Westerbork Mai 1944, 6. Programm. En misschien zou het erger zijn als niemand er ooit meer een blik in wierp.

De map omvat een dikke stapel dunne velletjes doorslagpapier, met het script van de laatste revue die in het concentratiekamp Westerbork werd gespeeld onder leiding van de befaamde Duits-joodse komiek Max Ehrlich. Het is zijn exemplaar; hij heeft het na de voorstelling cadeau gedaan aan Jetty Cantor, die ook in de revue optrad. Zij bracht het in veiligheid door het aan haar zoon mee te geven, die in 1944 als halfjood uit Westerbork werd vrijgelaten. Kortgeleden heeft deze Jacob Cantor de map geschonken aan het Theater Instituut Nederland, dat van een unieke aanwinst spreekt. Voor het eerst is nu te lezen waar die gevangen joodse artiesten over spraken en zongen, voor hun gevangen joodse publiek.

Gruppe Bühne was de roepnaam voor het revue-gezelschap dat in de zomer van 1943 in het kamp werd gevormd. Ehrlich, die tot in de jaren dertig in Berlijn een succesvol artiest was geweest en vervolgens naar Nederland vluchtte, nam het initiatief toen hij in Westerbork twee gerenommeerde collega's terug zag die hij nog kende uit Berlijn: de pianist en componist Erich Ziegler en de pianist, componist en tekstdichter Willy Rosen. Gedrieën legden ze hun plan voor professioneel amusement voor aan kampcommandant Albert Konrad Gemmeker, die graag zijn toestemming gaf. Niet alleen zou een revue zijn eigen verveling verdrijven, maar ook dacht hij met deze afleiding de soms hoog oplopende gemoederen in het kamp tot bedaren te kunnen brengen.

Transportlijst

,,Het talent was voorhanden'', aldus de commandant in een naoorlogs interview. ,,Waarom dan niet in een samenleving met veel spanningen – die waren er, dat moet ik toegeven – iets organiseren dat ontspannend werkt?'' Zijn strategische bedoelingen bleken onder meer het feit, dat de revue doorgaans op dinsdagavond werd opgevoerd. Op dinsdagmorgen vertrok wekelijks de trein met onbekende, maar gevreesde bestemming. De angst om op de transportlijst te belanden, liep op naarmate dat tijdstip naderbij kwam. Voor wie echter weer een week gespaard was gebleven, en evenmin vrienden of familie had zien vertrekken, kon de revue 's avonds enige ontlading bieden.

In juli 1943 verzorgden Ehrlich, Rosen en Ziegler hun eerste Bunter Abend, met medewerking van diverse andere komieken, acteurs, actrices, zangeressen en een groepje van zes meisjes die zich schalks de beentjes bloot dansten. In augustus gaf Gemmeker zelfs opdracht het toneel in de grote zaal – die overdag dienst deed voor de registratie van nieuwe gevangenen – te vergroten en uit te breiden met een orkestbak. Voor deze verbouwing werd hout gesloopt uit de synagoge van Assen, die immers toch niet meer in gebruik was.

Zelf zat de commandant bij elke première op de eerste rij, in een fauteuil die speciaal voor hem tussen de losse stoelen was geplaatst. Voor iedereen stond vast dat hij zich amuseerde, al kon hij het niet met zijn functie verenigen te applaudisseren voor joden. Vanaf de tweede rij zaten de gevangenen, die erin waren geslaagd een kaartje te bemachtigen. De belangstelling was groot, hoewel de journalist Philip Mechanicus in zijn dagboek noteerde dat velen weigerden in deze omstandigheden naar vermakelijkheden te komen kijken: ,,Maar de jeugd rent zich de benen uit het lijf om kaartjes, die niet meer dan tien cent per stuk kosten.'' Eén van die jongeren was de veertienjarige Gerhard Durlacher, leerling in de metaalwerkplaats van het kamp. `De cabaretavonden', schreef hij in zijn bundel Quarantaine, `betekenden voor mij de hemel na de hel.'

De artiesten speelden voor hun leven. Terwijl veel andere gevangenen hun oude vak was ontnomen, konden zij hun beroep blijven uitoefenen. Ehrlich voelde zich zo veilig en onmisbaar, dat hij tegenover Mechanicus zelfverzekerd antwoord gaf op de vraag of de commandant geen antisemiet was: ,,Jawel, maar niet voor mij en jou.'' Bekend was zelfs, dat Gemmeker zich soms na de voorstelling met cognac en rookwaar onderhield met de artiesten. Jetty Cantor, de enige Nederlandse medewerkster in dit Duitse gezelschap, zei na de oorlog echter dat de schone schijn haar niet kon verblinden: ,,Als je première had, zat de hele zaal vol. Het was zoals je dat van vroeger gewend was, met bloemen. Maar na afloop moest je ineens in die diep-donkere nacht door het zand – straten waren er niet – naar je barakje teruglopen. Dat was de grootste koude douche die je je maar kunt indenken.''

Total Verrückt!, de laatste van de zes Westerbork-revues, ging in juni 1944 in première. Werner Löwenhardt, destijds tekenaar op het statistisch bureau van het kamp, herinnert zich nog dat hij het omslag van het programmablaadje – een doormidden gevouwen A4'tje – heeft gemaakt op de dag dat een verstopte radio de eerste berichten over een geallieerde invasie in Normandië meldde. Nu zou de oorlog dus snel afgelopen zijn.

Op het eerste blaadje in de gehavende tekstmap staat de programmavolgorde, waarbij per nummer de tijdsduur is vermeld. Het totaal werd geschat op 150 minuten en zou volgens deze berekening duren tot 10.38 uur. Op het volgende blaadje staat het door het hele ensemble aangeheven openingsnummer: Gruppe Bühne, total verrückt! / Das ist was Neues sicherlich / Gruppe Bühne, total verrückt! / wir haben einen Sonnenstich / Doch so ein bischen Meschuggas / das macht Euch sicher sehr viel Spass...!

In het eerste sololied trad Jetty Cantor aan als verkoopster in de Lawa, de afkorting van de weids als Lager Wahrenhaus betitelde kampwinkel. Alles wist ze aan de man te brengen, aldus de tekst van Willy Rosen: zeepschuim als pudding, een cactus als roos, stamppot als biefstuk tartaar, gedroogde sneeuw als zout en de baardstoppels van haar man als grammofoonnaalden. Het is een staaltje zelfspot over een winkel waar blijkbaar nauwelijks iets van belang te koop was, maar zo luchtig opgedist dat Gemmeker – die alle teksten vooraf liet controleren – er geen bezwaar tegen had.

Romantiek

Het volgende nummer was een kluchtige sketch over een getrouwde gravin met een geheime minnaar uit Ehrlichs vooroorlogse repertoire, waarna Esther Philipse een charmant liedje zong over een meisje dat op doordeweekse dagen op de naai-afdeling werkt, en elke zondagmiddag om vier uur een afspraak met een jongeman heeft. Het had zich overal kunnen afspelen, maar Rosen situeerde het in Westerbork, in dem kleinen Café bei der Kantine, alsof er op aarde nergens meer romantiek heerste dan daar. De volgende sketch dateerde weer van vóór de oorlog: een dolkomisch misverstand bij de tandarts. Lisl Frank en Otto Aurich zongen daarna een glazenwasserslied, dat evenmin iets met het kamp te maken had. Hetzelfde geldt voor een bizarre sketch over een man die de guillotine heeft uitgevonden, en daarmee de ongeïnteresseerde baas van het octrooibureau effectief in de houdgreep neemt. Zelfs in de waarschuwende woorden Nichts für Nervenschwache! is geen enkele verwijzing naar de kampwerkelijkheid te lezen.

Pas in de pauzefinale liet tekstdichter Willy Rosen weer doorklinken waar de revue werd opgevoerd. Eerst marcheerde het orkest het toneel op, als bij een appèl, en na een zwoel lied over een radiozangeres en een komisch bedoelde tango-demonstratie ging het publiek de pauze in op de opgewekte tonen van de Hachscharahmarsch, over de in overall gehulde ordedienstmeisjes die helaas alleen op jongens van de `vliegende colonne' vielen. De titel verwijst volgens Werner Löwenhardt naar de zogenaamde Hachschara-lijst voor emigratie naar Palestina, maar in de tekst is alleen sprake van opgewekte, bruin verbrande meisjes, früh bis spät sehr tüchtig en daarom für Westerbork so wichtig.

Na de pauze was er nog maar één programma-onderdeel, een `parodistische ridderopera in één bedrijf' waarin alle zeven hoofdrolspelers aantraden. Het script laat zich lezen als een dolle parodie op alle eigenaardigheden van het operagenre. Zo zong Esther Philipse in haar eentje: ,,Ich bin der Chor, ich bin der Chor / Ich komm in allen Opern vor / Sagt der Tenor: O welch ein Glück! / Sing ich im nächsten Augenblick: / Oh welch ein Glück, oh welch ein Glück, oh welch ein Glüüüück!'' En intussen dook Max Ehrlich telkens op als een man, die bij elke gelegenheid een mop wist. Eén daarvan ging over een echtgenoot die aan zijn vrouw vraagt hoe vaak ze hem ontrouw is geweest. ,,Maar twee keer'', antwoordt ze, ,,één keer met het voltallige Don Kozakkenkoor en één keer met het versterkte Concertgebouworkest.'' Dat moet een gewaagde kwinkslag zijn geweest, in 1944. In de finale stonden alle medewerkers tenslotte weer op een rij om te zingen dat ze total verrückt waren. Toen was het afgelopen.

Op 3 augustus 1944 vaardigde Gemmeker wegens de ernst van het oorlogsverloop een verbod uit op verder vermaak. Bovendien moest Westerbork zo goed als leeg worden gemaakt. Van het hele revue-gezelschap dat toen in de trein verdween, is alleen Jetty Cantor levend teruggekomen uit Auschwitz. Voor hun vertrek beloofde de commandant aan Max Ehrlich en Willy Rosen dat ze `in het oosten' een goede behandeling zouden krijgen, die paste bij hun prominente status. Dat was de laatste leugen.

De revue in Westerbork moest ook de gemoederen van de gevangenen tot bedaren brengen