Angst als beste vriend

Midden in What's Welsh for Zen, de autobiografie van John Cale die hij samen met de New-Yorkse biograaf Victor Bockris schreef, staat een gedichtje van Lou Reed afgedrukt. `Forewarned is Forarmed' heet het en Reed schreef het in 1967 voor John Cale, niet zo lang voordat hij hem uit de later zo legendarische Velvet Underground gooide. Het gaat zo:

Love me and I will be your friend

Love me love me till the end

Until the occasion arises

Then I will kill you

`Poem to me', staat er nogal aandoenlijk onder. In de hoofdstukken volgend op het gedicht, beschrijft Cale zijn moeizame zoektocht naar een eigen `sound' en vooral naar eigen woorden voor liedjes. Want teksten had hij tot dan toe nauwelijks geschreven. Gedichten wel, maar dat was vroeger, toen hij nog thuis woonde in Garnant, een mijnwerkersdorpje in Wales en hij wanhopig zocht naar een uitlaatklep voor zijn onvrede en frustratie. Dylan Thomas was zijn grote voorbeeld. Zijn taal, zijn gevoel voor humor. God knows he needed it.

`Lou had such a way with words', schrijft Cale. `vroeger was ik daar jaloers op.' Want in de eerste plaats was John Cale muzikant en componist, klassiek opgeleid als pianist en altviolist in Wales en Londen en met een Leonard Bernstein-stipendium naar Amerika gekomen om er met avantgarde componisten als John Cage, Aaron Copland en LaMonte Young te werken. Maar al snel kwam hij Lou Reed tegen en ontdekte hij de rock-'n-roll. Hij gaf The Velvet Underground het destructieve, snerpende en sexy geluid (de elektrische altviool op `Venus in Furs', feedback op `Black Angel's Death Song') dat een onuitwisbare indruk zou maken op generaties popmuzikanten die na hem begonnen te spelen.

What's Welsh for Zen is eigenlijk ook een zoektocht naar woorden. Een poging van John Cale (57) om de betekenis van zijn leven en werk tot nu toe te beschrijven en te begrijpen. Alle aspecten komen aan de orde: zijn jeugd in Wales, zijn huwelijken, zijn angsten en obsessies (`Fear is a man's best friend'), zijn haat-liefdeverhouding met Lou Reed, zijn tomeloze alcohol- en drugsgebruik, zijn muziek. Kort voor het einde van het boek schrijft hij: `Ik word bij het schrijven van dit boek steeds droeviger als ik eraan denk hoe weinig zelfkennis ik heb.'

Het is precies deze onmacht om zichzelf in woorden te vangen, die het boek aantrekkelijk maakt. Want behalve dat What's Welsh for Zen prachtige tijdsbeelden geeft van de jaren vijftig (Wales, opkomst rock-'n-roll) en zestig (de avant-garde beweging in New York rond Andy Warhol), zeventig en tachtig (ontstaan van de punk), laat het verhaal de lezer vooral kijken naar de complexe persoonlijkheid van John Cale, zonder dat je het gevoel krijgt een voyeur te zijn.

Staande klok

Juist doordat Cale allerlei levensvragen niet kan beantwoorden (`Ik weet niets van mijn vader. Ik weet niet waar hij vandaan kwam, ik heb geen foto's, ik herinner me geen enkel fotolijstje in het huis, niets'), behoudt het verhaal spanning, een zeker mysterie zelfs. Het is geschreven in een heldere, vertellende en bij vlagen poëtische stijl, vooral wanneer Cale over Wales schrijft. `Ik hoor nog steeds de doofheid galmen in ons huis in Garnant. Het zijn echo's die me achtervolgen wanneer ik mijn toekomst somber inzie. verontrustende geluiden, vervuld van een onbestemd verlangen. De klokken die mijn vader repareerde als aanvulling op zijn mijnwerkersloon, en het getik van de grote staande klok in de boerderij van mijn oom op een zomerdag, vermengen zich in mijn herinnering met de zoemende stilte van een huis waar niet werd gepraat.' Op dat soort momenten verwijst de tekst indirect naar de romantische, melancholieke (populaire en klassieke) muziek die Cale de afgelopen decennia componeerde.

Het verhaal begint in Garnant, een conservatief dorp in het zuiden van Wales, dichtbij de rivier de Amman. Zijn moeder, Margareth Cale, was onderwijzeres voordat ze op haar 36ste trouwde met Arthur Cale, elektricien in de Gellu Ceydrym mijn. John bleef enig kind. `Ze maakte van mij haar carrière voor de komende twintig jaar', schrijft Cale liefdevol over zijn moeder. Zij zorgde ervoor dat haar zoon pianolessen ging volgen en goed studeerde. `Ik zing en schrijf nog altijd over haar.'

Over zijn vader schrijft Cale: `Engels is altijd mijn tweede taal geweest. Maar mijn vader sprak geen Welsh, omdat hij uit de buurt van Llandaff kwam, dichtbij de Engelse grens. Ik leerde Engels op school toen ik zeven jaar was. Dus hoe hebben mijn vader en ik met elkaar gecommuniceerd tijdens die eerste, vormende jaren? Ik zie een overeenkomst tussen taal en muziek. De onbeholpenheid die ik later voelde toen ik teksten begon te schrijven. Ik dacht altijd dat dat kwam omdat ik zo sterk geloofde in de kracht van instrumentale muziek, maar nu vermoed ik dat het komt door mijn onvolledige begrip van de taal.'

Het is mooi om te lezen hoe hij, anders dan in zijn associatieve en vaak onbegrijpelijke songteksten (waarvan er een aantal staat afgedrukt in het boek), nu juist die taal gebruikt om zichzelf te begrijpen. Zo stelt hij dat zijn `lifelong reliance on a collaborator to complete not only the work but me', geboren is uit de samenwerking met zijn moeder. Ze was altijd in de kamer wanneer hij oefende als kind en hij was zo geïnspireerd en op z'n gemak dat hij haar aanwezigheid als cruciaal ervoer.

Dat hij, zonder er veel moeite voor te hoeven doen, kon improviseren op piano, ontdekte hij toen hij twaalf jaar was. Hij had een stuk gecomponeerd `Toccata in the Style of Khachaturian' en dat zou hij voorspelen voor een BBC radioprogramma. Maar op het moment dat de opnames begonnen, bleek de partituur verdwenen. Dus begon hij maar wat te spelen. `Het waren bij elkaar tweeëneenhalve minuut, maar die tweeëneenhalve minuut veranderden mijn leven.'

Op zijn dertiende kreeg zijn moeder borstkanker en zonder dat iemand John vertelde wat er aan de hand was, verdween ze naar het ziekenhuis van Swansea. Hij had haar niet eens gedag gezegd en hij mocht haar ook niet opzoeken. Het bleek een traumatische ervaring. `Van nu af aan zou ik me door periodes van angst en vertwijfeling heen moeten worstelen.'

Balans

Het eerste en het laatste hoofdstuk van het boek, zijn verreweg het interessantst om te lezen, omdat Cale in de sfeervolle beschrijving van de eerste achttien jaar van zijn leven tegelijk veel vertelt over de oorsprong van zijn muziek. `Playing music gave me a stronger sense of who I was. In the event, it defined who I was.' In het laatste hoofdstuk `In Mortal', reflecteert hij op zijn leven en maakt hij min of meer de balans op. Hij is gescheiden van Risé Cale, heeft een tienerdochter Eden Myfanwy en is meer dan tien jaar af van zijn alcohol- en drugsverslaving. `Ik heb de mogelijkheid om eruit te stappen. Ik heb de mogelijkheid om kunst te maken. Ik schaam me voor niets dat ik heb gedaan. Ik denk niet dat ik één song kan aanwijzen waarin de menselijke persoonlijkheid in een kwaad daglicht wordt gesteld. Mijn benadering is altijd geweest dat, hoewel het beter is iets slechts te doen dan niets, ieder mens iets betoverends en inspirerends en opwindends in zich verborgen houdt.'

In de tussenliggende hoofdstukken doet hij gedetailleerd verslag van zijn werk als producer van Nico, Iggy Pop, Patti Smith en van de totstandkoming van zijn solo-albums (Paris 1919, Fear, Slow Dazzle, Artificial Intelligence, Words for the Dying), en natuurlijk van zijn samenwerking met artiesten als Brain Eno en Lou Reed. Vooral Lou Reed duikt telkens weer op in het verhaal. Tegen wil en dank blijft Cale zich aan hem spiegelen. `How Lou handled himself and others was an education in itself: the use of an alien language, the flaunting absurdity of the dialogue, suggestive but invisible at the end of each sentence....' En steevast eindigt iedere ontmoeting in ruzie en drama. `Lou had de onfeilbare gave om het slechtste in mensen naar boven te brengen.'

In september vorig jaar zag ik John Cale optreden in Le Botanique in Brussel. Het was een mooi concert. Hij was alleen, zichzelf begeleidend op piano en gitaar. Behalve zijn eigen poëtische liedjes als `A Child's Christmas in Wales' en `The Chinese Envoy' zong hij de klassieker `My Funny Valentine' en toen dat liedje bijna was afgelopen, boog hij zich over het toetsenbord van de Steinway en begon te improviseren. Vreemde ongemakkelijke accoorden sloeg hij aan, de blik naar binnen gekeerd, alsof hij de aanwezigheid van het publiek vergat. Het werd doodstil in de zaal. Cale hamerde op de piano. Bam bam bam bam. Vette ronde tonen bleven dreigend boven het podium zweven. Even was het alsof we een glimp opvingen van de `oude' John Cale, die nooit nuchter het podium opging, die gilde, schreeuwde, stampvoette en desnoods een kip de nek omdraaide om zijn toehoorders te provoceren. Toen opeens was het afgelopen. Hij stond op, maakte een elegante buiging. Applaus.

In What's Welsh for Zen schrijft Cale: `Dit is de meest positieve, en succesvolle periode uit mijn carrière.'

John Cale treedt op zondagavond 18 april op in Nighttown in Rotterdam, op 19 april in de Oosterpoort in Groningen, 20 april in Tivoli in Utrecht en op 21 april in Paradiso in Amsterdam.